TECHNISCHE HANDLEIDING [BE-NL]

RFNEXUS – VOLLEDIGE GEBRUIKS- EN PROGRAMMEERHANDLEIDING


BELANGRIJK: deze handleiding verwijst naar alle beschikbare opties in de Comelit NEXUS-app. Elke gebruiker kan, afhankelijk van de privileges waarover hij beschikt of het type toegewezen gebruiker, al dan niet toegang hebben tot bepaalde functies. Raadpleeg de sectie Gebruikers voor meer details.
Voor informatie over de installatie en de eerste ingebruikname van de centrale, raadpleeg de handleiding van de NEXUS-centrale

De Comelit NEXUS-app is onderverdeeld in vijf verschillende secties:

  1. Controle: voor het in- en uitschakelen van het alarm op de verschillende partities

  2. Meldingen: voor het raadplegen van het gebeurtenissenlogboek

  3. Acties: voor het uitvoeren van snelle commando’s en het aanmaken en uitvoeren van automatiseringen (ook wel “scenario’s” genoemd, oftewel een combinatie van acties na een specifiek evenement)

  4. Status: voor het raadplegen van de algemene status van de installatie

  5. Configureren: voor de programmering van de centrale en de bijbehorende randapparatuur

Het menu Controle is uitsluitend bestemd voor gebruikers die gemachtigd zijn om het alarmsysteem in of uit te schakelen (standaardgebruikers of installateurs met tijdelijke volledige beheerdersrechten). Het menu Configureren is bestemd voor gebruikers met beheerdersrechten van de installatie of voor geautoriseerde installateurs. Voor meer informatie zie sectie Gebruikers.

Bovendien is er een bovenste balk die, naast de paginatitel en eventuele commando’s (bijv. pijl terug voor navigatie tussen menu’s met terugkeer naar het vorige menu), ook het mannetje-icoon bevat om toegang te krijgen tot bepaalde parameters van de app en tot de selectie van beheerde installaties.


Inhoudsopgave

0.0 Gebruikersprofiel

1.0 Controle

2.0 Meldingen

3.0 Acties

4.0 Status

5.0 Configureren



0.0 Gebruikersprofiel



0.1 Beheerde installaties

Hiermee kan de externe centrale worden geselecteerd waarop gewerkt moet worden. In de lijst worden alle centrales weergegeven waarvoor het gebruikte account is geautoriseerd (raadpleeg de sectie Gebruikers om de verschillende mogelijke accounttypes te controleren).

Door een centrale uit de lijst te selecteren, zijn er drie opties beschikbaar:



0.1.1 Systeem toevoegen

Via hetzelfde menu is het ook mogelijk om nieuwe centrales toe te voegen door op de knop “+” te drukken en de QR-code op de achterkant van de centrale te scannen: raadpleeg de handleiding van de NEXUS-centrale voor meer details over de configuratieprocedure van een nieuwe centrale.


0.2 Toegang met wachtwoord

Hiermee kunt u een wachtwoord en eventueel biometrische authenticatie inschakelen voor toegang tot de app.

U wordt gevraagd een numeriek toegangswachtwoord in te stellen (6 cijfers) en pas daarna is het mogelijk om de reeds op het toestel ingestelde biometrische authenticatiemethode (vingerafdruk of gezichtsherkenning) te gebruiken.


0.3 Gebruikerscode

(alleen voor standaardgebruikers; alleen te gebruiken in combinatie met draadloos toetsenbord)

Hiermee kan de eigen gebruikerscode worden aangepast, indien dit eerder is toegestaan door de beheerder.


0.4 Website van Comelit

Om de webpagina van de officiële Comelit-website te bekijken.


0.5 Gebruikershandleiding

Om toegang te krijgen tot de webversie van deze handleiding.


0.6 Laat een recensie achter

Om een recensie over de app te plaatsen.


0.7 Meld een probleem

Om een melding te sturen over de werking van de app.


0.8 Beheer Comelit-account

Om de gebruiker af te melden en eventueel toegang te krijgen tot de app met andere inloggegevens.
Het is ook mogelijk om verwijdering van het eigen Comelit-account aan te vragen



1.0 Controle

Hiermee kunnen de handelingen voor het inschakelen en uitschakelen van het alarm worden uitgevoerd.

Als er meerdere partities aanwezig zijn (maximaal 8, zie secties partities), worden deze weergegeven als segmenten van de cirkelvormige weergave rond het centrale slot.

Het is mogelijk om gelijktijdig op alle partities te werken door simpelweg de betreffende knoppen te bedienen zonder een specifieke partitie te selecteren (klik op het gewenste deel van de cirkelweergave)

Het centrale slot en de kleur van de omliggende cirkel (geheel of verdeeld in partities) geven de status van het systeem aan:

  • grijs: alarm niet ingeschakeld, geen storing
  • geel: systeemstoring
  • groen: alarm ingeschakeld in totale modus
  • blauw: alarm ingeschakeld in gedeeltelijke modus (“Nacht” of “Gedeeltelijk”) of alleen in bepaalde partities
  • rood: alarm actief of alarmgeheugen

Het inschakelen kan op 2 manieren:

  • Totaal: toegepast op alle detectoren

  • Gedeeltelijk: deze is op zijn beurt onderverdeeld in twee opties, namelijk alleen toegepast op detectoren geprogrammeerd met het kenmerk “Nacht” of alleen op detectoren geprogrammeerd met het kenmerk “Gedeeltelijk”.

Gedeeltelijk inschakelen is vooral handig wanneer men in één enkele partitie de detectoren in aparte groepen wil verdelen, elk onafhankelijk in activatie.
Bijvoorbeeld, in één enkele partitie “HUIS” kan het kenmerk “Nacht” worden toegekend aan detectoren die buiten zijn geplaatst of gekoppeld zijn aan het openen van deuren en ramen. Op deze manier maakt het inschakelen van het alarm in “Nacht”-modus het mogelijk om in de woning te blijven (interne detectoren zijn inactief, omdat ze niet zijn opgenomen in de “Nacht”-modus) en wordt er alleen een alarmmelding gegeven bij inbraak van de perimeter of het buitenterrein.

Geforceerd.
Bij het inschakelen controleert de centrale de status van alle toestellen (detectoren en randapparatuur) en meldt eventuele storingen.
Bij een technische storing of abnormale situatie (bijvoorbeeld een actieve detector die, zonder uitgangsvertraging, direct tot een alarmsituatie zou leiden), verschijnt er een waarschuwingsbericht met het verzoek om het inschakelen toch te bevestigen.
NB = tijdens het inschakelen gedragen actieve detectoren zich verschillend afhankelijk van hun eigenschappen: raadpleeg de uitleg over het “reactietype” en de “kenmerken” in de sectie “sensoren” voor meer details.



2.0 Meldingen

Hiermee kan het gebeurtenislogboek worden geraadpleegd met alle meldingen die door de centrale zijn gegenereerd en betrekking hebben op specifieke gebeurtenissen (inschakelingen/uitschakelingen, alarmen, activeringen, storingen, enz.). In geval van een alarm gekoppeld aan een detector met fotocontrole of aan een camera die is geprogrammeerd voor videocontrole, kunnen ook de bij het alarm horende beelden worden weergegeven. Bij een sensor met camera kunnen de laatste 10 beelden per detector worden bekeken (maximaal 4 detectoren kunnen worden gekoppeld aan elke centrale)



3.0 Acties

Hiermee kunnen maximaal 10 automatiseringen (scenario’s) worden aangemaakt en uitgevoerd, evenals enkele snelle commando’s.


3.1 Automatiseringen

Het is mogelijk om tot 10 automatiseringen (scenario’s) te maken met handmatige of gebeurtenisgestuurde activering (alarm, sensoractivering, inactiviteitsalarm, inschakelen/uitschakelen, invoer van een geldige code, activering van de ingang van een RFOUT022-module, specifiek tijdstip). Elke automatisering kan tot 15 acties bevatten (inschakelen/uitschakelen, wachttijd, uitgang activeren, melding versturen)

Allereerst moet het gewenste scenario worden aangemaakt met de knop “+”.


Voorwaarde voor activering van het scenario

Hiermee kan een van de volgende opties worden geselecteerd:

  • Alarm (betrekking hebbend op één of meer afzonderlijk te selecteren partities)
    • Diefstal
    • 24U
    • Brand
    • Overstroming
    • Paniek
    • Gas
  • Sensor (betrekking hebbend op de activering van één of meer afzonderlijk te selecteren sensoren)
  • Inactiviteit (betrekking hebbend op één of meer sensoren geprogrammeerd met het kenmerk inactiviteit, afzonderlijk te selecteren; raadpleeg de sectie sensoren voor meer informatie over de functie inactiviteit)
  • Inschakelen/uitschakelen (betrekking hebbend op één of meer afzonderlijk te selecteren partities)
    • Volledig uitschakelen
    • Volledig inschakelen
    • Inschakeling in nachtmodus
    • Inschakeling in gedeeltelijke modus
  • Gebruikerslogin (toekomstige implementatie)
  • Bedrade ingang (verwijst naar de bedrade ingang van een radio IN/OUT toestel model RFOUT022, indien geïnstalleerd)
  • Datum & tijd (verwijst naar een specifiek tijdstip op één of meerdere afzonderlijk selecteerbare weekdagen)

Acties

Voeg met de “+”-toets tot 10 acties toe om opeenvolgend uit te voeren:

  • Inschakelen/uitschakelen (betrekking hebbend op één of meer afzonderlijk te selecteren partities)
    • Volledig uitschakelen
    • Volledig inschakelen
    • Inschakeling in nachtmodus
    • Inschakeling in gedeeltelijke modus
  • Wachttijd (verwijst naar een aanpasbare wachttijd vóór de volgende actie)
  • Uitgang activeren (verwijst naar het relaisuitgang van een radio IN/OUT toestel model RFOUT022, indien geïnstalleerd)
  • Melding (verwijst naar het verzenden van een gepersonaliseerde tekstmelding naar een specifieke gebruiker; het bericht wordt weergegeven via een PUSH-melding op de app van de ontvanger)

Druk na het aanmaken op de toets afspelen om een specifiek scenario handmatig uit te voeren. Voor scenario’s met een getimede uitvoering worden de ingestelde tijden gevolgd. Bij herhaalde activeringen (bijv. op een specifiek tijdstip, elke dag) worden deze herhaald volgens de ingestelde tijden totdat het scenario eventueel wordt gedeactiveerd of verwijderd.

Deactiveren maakt het mogelijk scenario’s tijdelijk te blokkeren zonder ze te verwijderen.

Selecteer het scenario en druk op de toets verboden om het tijdelijk te deactiveren.

Een gedeactiveerd scenario wordt in de lijst weergegeven met het pictogram gedeactiveerd scenario. Om het opnieuw te activeren, selecteer het en schakel de bovenste optie bij de naam in.

Om een scenario te verwijderen, selecteer het en druk op de toets prullenbak.

Om een scenario te hernoemen, selecteer het en druk op de toets hernoemen.


3.2 Snelcommando’s

De beschikbare snelcommando’s zijn:

  • Alarm resetten: voert het resetten van het alarmgeheugen uit (aangegeven door een knipperende rode LED in de centrale); het resetten van het alarm wordt ook automatisch uitgevoerd bij de volgende inschakeling van het alarm

  • Alarm stoppen: onderbreekt het activeren van de sirenes tijdens een alarm

  • Bel stoppen: onderbreekt het verzenden van meldingen (bel, SMS en verschillende meldingen volgens programmering) tijdens een alarm

  • Paniek: genereert een paniekalarm met het verzenden van de bijbehorende meldingen. Mogelijke interne en externe sirenes worden niet geactiveerd

  • Diefstal: genereert een overvalalarm met het verzenden van de bijbehorende meldingen. Mogelijke interne en externe sirenes worden niet geactiveerd

  • Brand: genereert een brandalarm met het verzenden van de bijbehorende meldingen. Indien aanwezig, worden ook eventuele interne en externe sirenes geactiveerd

  • Medisch: genereert een brandalarm met het verzenden van de bijbehorende meldingen. Indien aanwezig, worden ook eventuele interne en externe sirenes geactiveerd



4.0 Status

Hiermee kunt u de algemene status van de centrale en de bijbehorende gekoppelde radio toestellen controleren. Selecteer de groep toestellen van interesse.



4.1 Sensoren

Omvat alle radio sensoren die eerder aan de centrale zijn gekoppeld.

Selecteer de gewenste sensor om de volgende specifieke informatie te bekijken:

  • algemene status (met eventuele aanwijzingen van afwijkingen)
  • installatiestatus (indien momenteel actief volgens de inschakel-/uitschakelstatus van de partitie en/of volgens het ingestelde reactietype)
  • activeringsstatus (bijv. open of gesloten)
  • radiosignaalsterkte
  • batterijniveau

Via de optie Deactiveren is het mogelijk de sensor te deactiveren (bijvoorbeeld in geval van een storing). De deactivering blijft actief tot een nieuwe handmatige heractivering (optie Deactiveren = UIT). Het deactiveren van een sensor geeft een afwijkingsmelding in de centrale.



4.2 Sirenes en uitgangen

Omvat alle radio-uitgangen (sirenes en uitgangsmodules) die eerder aan de centrale zijn gekoppeld.

Selecteer het toestel van interesse om de specifieke informatie te bekijken, zoals:

  • algemene status (met eventuele aanwijzingen van afwijkingen)
  • status van het systeem (indien momenteel actief volgens de in-/uitschakelstatus van de bijbehorende partitie)
  • activeringsstatus (bijv. open of gesloten)
  • radiosignaalsterkte
  • batterijniveau

Via de optie Deactiveren is het mogelijk de sensor te deactiveren (bijvoorbeeld in geval van een storing). De deactivering blijft actief tot een nieuwe handmatige heractivering (optie Deactiveren = UIT). Het deactiveren van een sensor geeft een afwijkingsmelding in de centrale.

Via de optie SIRENE ACTIVEREN is het mogelijk om de uitgang handmatig te activeren voor een eenvoudige functionele test. Druk opnieuw om de uitgang te deactiveren.



4.3 Randapparatuur

Omvat alle radio-bedieningsapparaten (afstandsbedieningen en toetsenborden) die eerder aan de centrale zijn gekoppeld.

In het geval van een afstandsbediening, selecteer het toestel van interesse om de specifieke informatie te bekijken, zoals: algemene status (met eventuele aanwijzingen van afwijkingen) en batterijniveau.

In het geval van een afstandsbediening, selecteer het toestel van interesse om de specifieke informatie te bekijken, zoals: algemene status (met eventuele aanwijzingen van afwijkingen), fysieke integriteit (bijv. deksel open of dicht), radiosignaalsterkte, batterijniveau.

Via de optie Deactiveren is het mogelijk de sensor te deactiveren (bijvoorbeeld in geval van een storing). De deactivering blijft actief tot een nieuwe handmatige heractivering (optie Deactiveren = UIT). Het deactiveren van een sensor geeft een afwijkingsmelding in de centrale.



4.4 Videoverificatie

Omvat alle videoverificatie-toestellen (camera’s) en fotoverificatie (volumetrische sensoren met camera) die zijn geactiveerd in de sectie Camera’s.

Selecteer het toestel van interesse.

  • In het geval van volumetrische sensoren met camera is het mogelijk om het commando FOTO MAKEN te gebruiken om een afbeelding in realtime vast te leggen. De tijd voor het vastleggen van de afbeelding varieert van enkele seconden tot enkele tientallen seconden, afhankelijk van de grootte van de afbeelding (zie de resolutie-instellingen in de sectie sensoren voor de betreffende instellingen) en van enkele omgevingsfactoren (kwaliteit van het radiosignaal, gebruik van signaalversterkers, internetsnelheid, enz.).
    Via hetzelfde menu is het mogelijk het fotoarchief te raadplegen van handmatig vastgelegde beelden (“Afbeeldingen op aanvraag”) of beelden vastgelegd bij alarm (“Afbeeldingen bij alarm”). Deze laatste zijn ook te raadplegen via het gebeurtenissenlogboek, zie Meldingen). Alle afbeeldingen worden opgeslagen in de centrale totdat ze eventueel gedeeld of opgeslagen worden in de fotogalerij van de smartphone. De centrale kan maximaal 10 afbeeldingen opslaan per volumetrische sensor met camera; daarna zal een nieuwe afbeelding de oudste afbeelding overschrijven.

  • In het geval van camera’s is het mogelijk om de videostream in realtime te bekijken.



4.5 Centrale

Hiermee kunt u de realtime status van de afzonderlijke partities bekijken (zie sectie Partities) en van de centrale (zie sectie “Realtime status centrale”).


4.5.1 Partities

Hiermee kunt u de status van elke partitie controleren (partitie met alarm ingeschakeld of uitgeschakeld, in storingstoestand of in normale werking)


4.5.2 Realtime status centrale

Hiermee kunt u specifieke informatie bekijken, zoals: status van de primaire voeding, status van de batterij, deksel van de centrale (open of dicht).

Daarnaast wordt de gebruikte verbindingsmodus aangegeven (Ethernet, WiFi of GSM) volgens de betreffende instelling (zie sectie internetverbinding) en de werkelijke status van de radio-overdracht (melding van eventuele radio-interferentie of aanwezigheid van andere radio-communicatie die hetzelfde kanaal gebruikt).


4.5.3 Status verbinding

Hiermee kunt u specifieke informatie bekijken over de gebruikte communicatiekanalen en hun correcte werking.


4.5.4 Status radio-overdracht

Hiermee kunt u de status van de radio-communicatie bekijken, met name wat betreft de aanwezigheid van radio-interferentie (jamming) of de aanwezigheid van radio-communicatie afkomstig van andere toestellen die hetzelfde transmissiekanaal gebruiken. Neem bij afwijkingen contact op met uw installateur om samen de beste oplossing te bepalen om de ideale omstandigheden voor radio-overdracht te herstellen.



5.0 Configureren

Deze sectie betreft de technische instellingen van de centrale (programmeerparameters) en is alleen toegankelijk voor gebruikers met specifieke rechten.

Het is mogelijk om de centrale te hernoemen en enkele algemene gegevens te controleren, zoals de firmwareversie van de centrale zelf en van de geïntegreerde radio-communicatiemodule, evenals de ID32 oftewel het unieke identificatienummer van de centrale, eventueel nuttig voor technische controles door de fabrikant.

De algemene parameters omvatten verschillende menu’s voor technische programmering die hieronder worden beschreven.



5.1 Gebruikers

In deze sectie kunt u de gebruikers beheren die aan de centrale zijn gekoppeld, hun specifieke rechten toewijzen om op de centrale te werken en meldingen ontvangen voor specifieke gebeurtenissen en volgens specifieke communicatiemethoden.

Er zijn vier typen gebruikers:

  • de eigenaar van het systeem (beheerder) die volledige controle heeft over de centrale en de accessoires

  • de standaardgebruiker die normaal gesproken op de centrale werkt, maar geen mogelijkheid heeft om de systeemconfiguratie te wijzigen

  • de installateur die, na toestemming van de eigenaar, toegang heeft tot de programmering van de centrale met uitzondering van het in- en uitschakelen van het alarm

  • de installateur met tijdelijke beheerdersrechten die, na toestemming van de eigenaar, naast toegang tot de programmering van de centrale ook bevoegd is tot het in- en uitschakelen van het alarm


Gebruiker toevoegen

  1. Gebruik de knop “+” om een gebruiker toe te voegen.

  2. Selecteer het type gebruiker dat u wilt toevoegen: installateur of gebruiker.

  3. Er wordt een e-mail naar de gebruiker gestuurd met daarin ook de link om door te gaan met de installatie van de app. Als de gebruiker de Comelit Nexus-app al heeft, zal de centrale al gedeeld zijn tussen de beheerde systemen.

Beheer gebruikersprofielen

  • Selecteer de gebruiker en druk op de knop prullenbak om een gebruiker te verwijderen.
  • Selecteer de gebruiker en druk op de knop verboden om een gebruiker tijdelijk te deactiveren
  • Elke gebruiker heeft de mogelijkheid om zijn eigen informatie (voornaam, achternaam en telefoonnummer) te bewerken door op de knop potlood te drukken nadat hij zijn eigen naam heeft geselecteerd,
  • De handelingen voor het toevoegen, activeren en deactiveren, evenals het verwijderen van gebruikers, voorzien ook in het versturen van een notificatiemail naar de beheerder-gebruiker en naar de betrokkene.

De volgende iconen worden gebruikt om de status en eigenschappen van de accounts aan te geven:

Icona konto
gebruiker-beheerder gebruiker beheerder
standaardgebruiker standaardgebruiker
installateur installateur
tijdelijke beheerder gebruiker met tijdelijke beheerdersrechten
gebruiker-aanvraag-in-afwachting gebruiker aan wie een toegangsverzoek is gestuurd maar die nog niet is verbonden
gebruiker-uitgeschakeld uitgeschakelde gebruiker (zal niet meer kunnen werken op de centrale tot eventuele heractivering)
installateur-uitgeschakeld uitgeschakelde installateur (zal niet meer kunnen werken op de centrale tot eventuele heractivering)


5.1.1 Partities (alleen voor standaardgebruikers)

Hiermee kunnen de partities worden geselecteerd die door elke gebruiker beheerd kunnen worden. De beheerder-gebruiker heeft controle over alle partities zonder de mogelijkheid om specifieke partities uit te sluiten



5.1.1.1 Notificaties

Hiermee kan worden bepaald wat en hoe aan elke gebruiker moet worden gemeld in het geval van specifieke gebeurtenissen zoals alarm, sabotage, storing, afwijkingen, actie, commando, enz.

Er zijn vier manieren om meldingen te verzenden: telefonische oproep of SMS (alleen met een SIM-kaart die deze functies ondersteunt), PUSH-notificatie via de Comelit Nexus-app, e-mail (verzonden via de Comelit Cloud).

Telefonische oproepen zijn alleen beschikbaar voor alarmgebeurtenissen of sabotage van toestellen (en bijbehorende herstelacties) en gebruiken een vooraf opgenomen stem met een bericht volgens de volgende syntaxis: “gebeurtenis” + “ID toestel” + “ID partitie” (+ “ID gebruiker” in het geval van een actie).

De gemelde gebeurtenissen zijn bovendien onderverdeeld in vijf verschillende groepen, die elk kunnen worden geactiveerd of gedeactiveerd op elk van de vier hierboven genoemde verbindingswijzen:

Gebeurtenisgroep Gemelde gebeurtenis / geregistreerd in het gebeurtenislogboek
Alarmen Diefstalalarm
24-uurs alarm
Brandalarm zone
Overstromingsalarm zone
Gasalarm
Bevestigd alarm
Inactiviteitsalarm
Brandcommando alarm
Paniekcommando alarm
Dwangalarm
Medisch commando alarm
Overvalalarm
Alarm bij niet-inschakelen
Sabotages Sabotage zone
Sabotage magneetcontact
Sabotage centrale
Sabotage uitgangsmodule
Sabotage interne sirene
Sabotage externe sirene
Sabotage toetsenbord
Sabotage radio signaal repeater
Sabotage valse code
Sabotage vervanging toestel
Storingen voeding centrale Netwerkuitval centrale
Batterijstoring centrale
Systeemstoringen Batterijstoring binnensirene
Batterijstoring buitensirene
Batterijstoring uitgangenmodule
Batterijstoring sensor
Batterijstoring toetsenbord
Batterijstoring afstandsbediening
Batterijstoring radio repeater
Storing radiozender
Storing radio-interferentie (jamming)
Storing overlappende radiokanalen
Storing GSM-interferentie (jamming)
Storing: SIM-kaart ontbreekt
Storing: SIM-kaart verlopen
Storing: zwak GSM-signaal
Storing GSM-spraakcommunicatie
Storing GSM-datacommunicatie
Storing: zwak GSM-signaal
Storing GPRS 3G-signaal
Storing GSM-spraakcommunicatie
Storing WiFi-module
Storing: zwak WiFi-signaal
WiFi-module uitgeschakeld
Storing Ethernet-verbinding
Ethernet-storing
Ethernet-kabel losgekoppeld
Systeem herstarten
Storing binnensirene
Storing buitensirene
Storing uitgangenmodule
Storing radioverstoring
Storing sensor
Storing: verlies radiosignaal sensor
Storing: verlies radiosignaal binnensirene
Storing: verlies radiosignaal buitensirene
Storing: verlies radiosignaal uitgangenmodule
Storing: verlies videostream camera
Storing: verlies radiosignaal toetsenbord
Storing radio toezicht toetsenbord
Storing: verlies radiosignaal afstandsbediening
Storing: verlies radiosignaal repeater
Storing radio toezicht repeater
Storing bewegingssensor
Storing communicatie
Inschakelen / uitschakelen Volledig inschakelen
Uitschakelen
Inschakelen nachtmodus
Inschakelen gedeeltelijke modus
Uitschakelen na alarm
Geforceerd inschakelen
Systeemwerking Technische programmering
Blokkering toestel
Gebruiker toevoegen
Gebruiker verwijderen
Wijziging gebruikerscode
Datum en tijd wijzigen
Periodieke communicatietest
Handmatige communicatietest
Inschakeling geblokkeerd
Spraakbel
Installateur activeren
Uitgang activeren
Uitgang deactiveren
Gedeeltelijk herstel van fabrieksinstellingen
Volledig herstel van fabrieksinstellingen
Firmware-update geslaagd
Fout bij firmware-update
Beloproepen stoppen
Alarm stoppen
Alarm resetten
Uitsluitingen/deactiveringen Sensor gedeactiveerd
Sensor uitgesloten
Sensor hersteld
Sensor opnieuw geactiveerd


5.1.1.2 Gebruikersrechten

De rechten voor het uitvoeren van specifieke acties zijn onderverdeeld in 7 groepen:

De standaardrechten volgens het type gebruiker zijn als volgt:

  • Eigenaar-gebruiker:

    • Inschakelingen/Uitschakelingen
    • Scenario’s/Snelle commando’s
    • Weergave van foto’s en video’s
    • programmering
  • Gebruiker:

    • Inschakelingen/Uitschakelingen
    • Scenario’s/Snelle commando’s
    • Weergave van foto’s en video’s
  • Installateur:

    • programmering
  • Installateur met tijdelijke beheerdersrechten:

    • Inschakelingen/Uitschakelingen
    • Scenario’s/Snelle commando’s
    • Weergave van foto’s en video’s
    • programmering


5.1.4 Gebruikerscode (alleen voor beheerdersgebruikers)

Alleen te gebruiken in combinatie met een toetsenbord. Hiermee kan de gebruikerscode die op het toetsenbord wordt gebruikt worden geactiveerd en gewijzigd. Elke gebruiker kan vervolgens zijn eigen code personaliseren via de optie “Gebruikerscode” in de instellingen van de app (icoon mannetje rechtsboven – zie sectie “Gebruikerscode”)



5.2 Toestellen

In deze sectie kunt u het toevoegen (registreren) en verwijderen van draadloze toestellen (sensoren, sirenes/uitgangen, toetsenborden/afstandsbedieningen) beheren.

Gebruik de knop “+” om een nieuw toestel toe te voegen en selecteer het model uit de lijst van toe te voegen toestellen.

Voor meer informatie volgt u de aanwijzingen in de app of raadpleegt u de secties Sensoren, Sirenes/uitgangen of Randapparatuur), afhankelijk van het type sensor).

Let op: voor sommige toestellen kan het registratieproces toegang tot de interne elektronische kaart vereisen. Zorg er in dat geval voor dat de centrale in de onderhoudsmodus staat voordat u verdergaat. Anders, zodra de sensor is toegevoegd, wordt onmiddellijk zijn sabotageconditie (deksel open) gedetecteerd en wordt het sabotagealarm geactiveerd.

Bij problemen tijdens de registratieprocedures van de draadloze toestellen, voer de fabrieksinstellingen terug (zie Standaardconfiguratie), en zorg ervoor dat de optie Behoud koppeling draadloze toestellen is uitgeschakeld. Ga vervolgens verder met het resetten van de afzonderlijke draadloze toestellen zoals hieronder beschreven:

Koppeling draadloze toestellen (aanmeldprocedure).

Let op: elk draadloos toestel heeft een uniek ID en kan slechts aan één centrale gekoppeld worden. Indien het toestel aan een andere centrale gekoppeld moet worden, moet het eerst worden gereset; als de centrale waarmee het eerder was gekoppeld nog actief is, zal deze na enkele minuten een foutmelding geven (verlies van draadloze verbinding toestel) en moet het toestel uit de configuratie van het bedieningspaneel worden verwijderd om de normale werking te herstellen.

Er zijn verschillende manieren om draadloze toestellen aan de centrale te koppelen:

  • Verwijderen van het batterijlipje. Bij een nieuw toestel volstaat het om het isolatielipje van de batterij te verwijderen direct na het starten van de koppelingsprocedure via de app. Raadpleeg de instructies in de app om de positie van het lipje te vinden, afhankelijk van het toestel.

  • Indrukken van een toets. Voor de afstandsbedieningen volstaat het om direct na het starten van de koppelingsprocedure via de app een willekeurige toets in te drukken.
    Als de procedure niet succesvol is, volg dan de gedetailleerde instructies voor het specifieke toestel, beschikbaar via deze link: handleidingen accessoires centrale NEXUS

  • Inschakelen van het toestel. Voor toestellen zonder batterijlipje moet direct na het starten van de koppelingsprocedure via de app voeding aan het toestel worden gegeven. Raadpleeg de instructies in de app om de voedingsmethode te bepalen, afhankelijk van het toestel (batterijen plaatsen, voedingsconnector aansluiten, enz.).

  • Indrukken van de “ENROLL”-toets. Als geen van de twee voorgaande opties succesvol is of beschikbaar is, kan men doorgaan door de “ENROLL”-toets binnenin het toestel in te drukken, direct na het starten van de koppelingsprocedure via de app.

Reset draadloze toestellen – registratie wissen

Als een toestel al geregistreerd en gekoppeld is aan een centrale, moet het toestel eerst worden gereset voordat de registratie opnieuw kan worden uitgevoerd.
Het resetten gebeurt door de toets ENROLL gedurende 7 seconden ingedrukt te houden. Voor sommige toestellen (RFKP en RFSMK) is er een speciale resetknop die moet worden ingedrukt tot de LED knippert als bevestiging van de reset. Voor de afstandsbedieningen moeten de toetsen 1 en 4 gelijktijdig worden ingedrukt gehouden tot de rode LED continu brandt. Met de rode LED aan, druk één keer op toets 4.
Na de reset kan het toestel worden geregistreerd via een van de hierboven beschreven procedures.
Voor meer informatie raadpleeg de handleidingen van de afzonderlijke draadloze toestellen, beschikbaar via deze link: handleidingen accessoires centrale NEXUS.

Toevoegen van nieuwe toestellen

Om nieuwe toestellen toe te voegen, selecteer de “+”-toets. Als er al toestellen geregistreerd zijn (dus gekoppeld aan de centrale), selecteer dan de specifieke categorie om de lijst van alle toestellen te bekijken.

Wijzigen van parameters van reeds gekoppelde toestellen

Als er al toestellen aanwezig zijn, kies dan eenvoudig het gewenste toestel uit een van de volgende categorieën om extra informatie te bekijken en de specifieke configuratie aan te passen.


5.2.1 Sensoren

Deze sectie bevat de detectietoestellen voor het activeren van het alarm (sensoren).

Als er al toestellen aan de centrale gekoppeld zijn, selecteer dan het toestel uit de lijst om de bijbehorende details en opties te bekijken.

De extra informatie is te vinden in het bovenste gedeelte (groen kader), uit te vouwen via de “>”-toets, en omvat:

  • Naam: bewerkbaar met de toets potlood

  • Model: geeft de specifieke code van het toestel weer (niet bewerkbaar)

  • Draadloos signaalniveau: realtime indicatie van de kwaliteit van de draadloze verbinding

    uitstekend_signaal uitstekend of zeer goed signaal
    goed_signaal goed signaal
    voldoende_signaal meer dan voldoende signaal
    zwak_signaal zwak signaal
    te_zwak_signaal te zwak signaal
  • Batterijniveau: realtime indicatie van de batterijstatus

    batterij-vol batterij met voldoende lading
    batterij-leeg lege batterij die vervangen moet worden
  • Serienummer van het toestel: geeft het unieke serienummer van het draadloze toestel weer

  • Firmwareversie: geeft de specifieke firmwareversie van het radio toestel weer (het duurt enkele seconden om bij te werken na de eerste koppeling)

  • Identificeer met brandende LED (Toestel zoeken): maakt het gemakkelijker om het specifieke toestel te identificeren door het inschakelen van de LED. In het geval van meerdere toestellen van hetzelfde model, gebruik deze functie om het knipperen van de LED op het betreffende toestel te activeren en te deactiveren.

  • Verwijderen toestel: met de toets prullenbak is het mogelijk een eerder gekoppeld toestel aan de centrale te verwijderen. Let op: het verwijderen verwijdert het toestel alleen uit de lijst van gekoppelde toestellen aan de centrale, maar voert geen reset uit van het toestel zelf. Om een nieuwe koppeling met een centrale uit te voeren, is het noodzakelijk eerst het toestel te resetten (zie “Reset draadloze toestellen – registratie verwijderen”)

  • Naam wijzigen: met de toets potlood is het mogelijk de naam van het toestel te bewerken.

Afhankelijk van het type toestellen zijn er meer of minder specifieke configuratieparameters beschikbaar:



Volumetrische binnensensoren RF12PIR

  • Type reactie

  • Partities – definieert aan welke partities de sensor is gekoppeld. Let op: bij koppeling aan twee of meer partities genereert deze sensor alleen een alarm wanneer alle partities waartoe hij behoort zijn ingeschakeld.

  • Alarm open deksel – maakt het mogelijk de sabotage-meldingsnotificatie te activeren of te deactiveren bij het openen van de behuizing van de sensor

  • LED – maakt het mogelijk de LED op het toestel in of uit te schakelen. Indien actief zal de LED bij elke detectie inschakelen

  • Attributen

    • Nacht – indien actief, maakt het mogelijk dat deze sensor alarmen genereert bij inschakeling van het alarm in nachtmodus, evenals bij volledige inschakeling

    • Gedeeltelijk – indien actief, maakt het mogelijk dat deze sensor ook alarmen genereert bij inschakeling van het alarm in gedeeltelijke modus, evenals bij volledige inschakeling

    • Uitsluitbaar – deze optie heeft een verschillend gedrag afhankelijk van of de sensor is ingesteld op type reactie Onmiddellijk of Ingang/uitgang

      • Voor onmiddellijke sensoren maakt deze optie automatisch herstel van de sensor mogelijk in het geval van een tijdelijke handmatige uitsluiting of een “geforceerde” inschakeling van het alarm. Met andere woorden, een sensor die zich in detectiemodus bevindt op het moment van inschakeling van het alarm, wordt automatisch uitgesloten bij inschakeling via afstandsbediening of toetsenbord (in de APP wordt de gebruiker gevraagd of hij wil uitsluiten of handmatig een “rusttoestand” wil herstellen vóór het inschakelen). Vervolgens, tijdens de inschakelfase van het alarm, zijn er twee mogelijke gedragingen:

        • als de optie uitsluitbaar actief is, genereert de sensor een alarm bij een nieuwe activatie tijdens de inschakelcyclus (uitsluiting met automatisch herstel).

        • als de optie uitsluitbaar niet actief is, genereert de sensor geen enkel alarm, zelfs niet bij volgende activaties gedurende de hele inschakelcyclus (uitsluiting zonder automatisch herstel),

      • Voor vertraagde sensoren (reactie Ingang/uitgang) maakt deze optie automatische uitsluiting van de sensor mogelijk als deze zich in detectiemodus bevindt aan het einde van de uitgangstijd. Met andere woorden, aan het einde van de uitgangstijd met de sensor in detectiefase zijn er twee mogelijke gedragingen:

        • als de optie uitsluitbaar actief is, wordt de sensor uitgesloten gedurende de hele inschakelcyclus (uitsluiting zonder automatisch herstel),

        • als de optie uitsluitbaar niet actief is, genereert de sensor een alarm op het moment van daadwerkelijke inschakeling van de zone (einde van de uitgangstijd)

    • Stil – indien actief, wordt bij activatie met ingeschakeld systeem geen alarm gegenereerd, maar alleen een activatiegebeurtenis geregistreerd in het archief

    • Dubbele detectie – indien actief, wordt alleen een alarm gegenereerd bij ingeschakeld systeem als er twee activaties van deze sensor plaatsvinden binnen het ingestelde tijdsinterval. De eerste activering zal dus een pre-alarmconditie genereren (geen melding van alarm maar alleen een notitie in het gebeurtenisarchief) en pas een tweede activering vóór het einde van de ingestelde tijd zal een echt alarm genereren. Bij afwezigheid van een tweede detectie binnen de ingestelde tijd wordt de pre-alarmconditie geannuleerd en wordt de cyclus opnieuw gestart voor een nieuwe dubbele activering.

    • Bevestiging door andere sensor vereist – indien geactiveerd, zal er alleen een alarm worden gegenereerd bij een ingeschakeld systeem als er activeringen plaatsvinden van twee verschillende sensoren, beide met het attribuut “Bevestiging door andere sensor vereist” binnen het ingestelde tijdsinterval. De eerste activering zal dus een pre-alarmconditie genereren (geen melding van alarm maar alleen een notitie in het gebeurtenisarchief) en alleen de activering van de tweede sensor vóór het einde van de ingestelde tijd zal een echt alarm genereren. Bij afwezigheid van een tweede detectie binnen de ingestelde tijd wordt de pre-alarmconditie geannuleerd en wordt de cyclus opnieuw gestart voor een nieuwe dubbele activering.

    • Vertraging met nacht/gedeeltelijk (alleen beschikbaar als de sensor is ingesteld met reactietype Onmiddellijk) – indien geactiveerd, wordt de ingestelde ingangvertraging alleen gebruikt wanneer het systeem is ingeschakeld in nacht- of gedeeltelijke modus. Voor volledige inschakeling wordt er geen enkele ingangvertraging gebruikt.

    • Uitschakelen van uitgangsvertraging met nacht/gedeeltelijk (alleen beschikbaar als de sensor is ingesteld met reactietype Ingang/uitgang) – indien geactiveerd, wordt de ingestelde uitgangsvertraging genegeerd (op nul gezet) wanneer het systeem is ingeschakeld in nacht- of gedeeltelijke modus. Voor volledige inschakeling wordt normaal gesproken de ingestelde uitgangsvertraging gebruikt.

  • Geavanceerde instellingen

    • IR-gevoeligheid – hiermee kan een hoge gevoeligheid (groter detectievermogen van indringers) of lage gevoeligheid (minder detectievermogen van indringers) worden geselecteerd. De standaardwaarde is “hoge gevoeligheid”, maar in sommige gevallen kan het detectievermogen van de sensor worden verminderd om valse alarmen te voorkomen, terwijl het vermogen om indringers te detecteren behouden blijft (bijvoorbeeld als er grote huisdieren aanwezig zijn). Een echte test wordt aanbevolen (zie Sensorentest) om te controleren of de geselecteerde waarde geschikt is voor het specifieke gebruik.
    • Batterijbesparing – hiermee kan de energiebesparingsmodus worden ingeschakeld (AAN) of uitgeschakeld (UIT), wat zorgt voor een langere levensduur van de batterijen. Als de batterijbesparing is uitgeschakeld, verzendt de sensor alle detecties zowel bij een ingeschakeld als uitgeschakeld systeem. Als de batterijbesparing is ingeschakeld, verzendt de sensor één detectie en wacht vervolgens 3 minuten voordat een nieuwe melding wordt verzonden, zowel bij een ingeschakeld als uitgeschakeld systeem.


Volumetrische binnensensoren met camera RF12PIRCAM

  • Type reactie

  • Partities – definieert aan welke partities de sensor is gekoppeld. Let op: bij koppeling aan twee of meer partities genereert deze sensor alleen een alarm wanneer alle partities waartoe hij behoort zijn ingeschakeld.

  • Alarm open deksel – maakt het mogelijk de sabotage-meldingsnotificatie te activeren of te deactiveren bij het openen van de behuizing van de sensor

  • LED – maakt het mogelijk de LED op het toestel in of uit te schakelen. Indien actief zal de LED bij elke detectie inschakelen

  • Attributen

    • Nacht – indien actief, maakt het mogelijk dat deze sensor alarmen genereert bij inschakeling van het alarm in nachtmodus, evenals bij volledige inschakeling

    • Gedeeltelijk – indien actief, maakt het mogelijk dat deze sensor ook alarmen genereert bij inschakeling van het alarm in gedeeltelijke modus, evenals bij volledige inschakeling

    • Uitsluitbaar – deze optie heeft een verschillend gedrag afhankelijk van of de sensor is ingesteld op type reactie Onmiddellijk of Ingang/uitgang

      • Voor onmiddellijke sensoren maakt deze optie automatisch herstel van de sensor mogelijk in het geval van een tijdelijke handmatige uitsluiting of een “geforceerde” inschakeling van het alarm. Met andere woorden, een sensor die zich in detectiemodus bevindt op het moment van inschakeling van het alarm, wordt automatisch uitgesloten bij inschakeling via afstandsbediening of toetsenbord (in de APP wordt de gebruiker gevraagd of hij wil uitsluiten of handmatig een “rusttoestand” wil herstellen vóór het inschakelen). Vervolgens, tijdens de inschakelfase van het alarm, zijn er twee mogelijke gedragingen:

        • als de optie uitsluitbaar actief is, genereert de sensor een alarm bij een nieuwe activatie tijdens de inschakelcyclus (uitsluiting met automatisch herstel).

        • als de optie uitsluitbaar niet actief is, genereert de sensor geen enkel alarm, zelfs niet bij volgende activaties gedurende de hele inschakelcyclus (uitsluiting zonder automatisch herstel),

      • Voor vertraagde sensoren (reactie Ingang/uitgang) maakt deze optie automatische uitsluiting van de sensor mogelijk als deze zich in detectiemodus bevindt aan het einde van de uitgangstijd. Met andere woorden, aan het einde van de uitgangstijd met de sensor in detectiefase zijn er twee mogelijke gedragingen:

        • als de optie uitsluitbaar actief is, wordt de sensor uitgesloten gedurende de hele inschakelcyclus (uitsluiting zonder automatisch herstel),

        • als de optie uitsluitbaar niet actief is, genereert de sensor een alarm op het moment van daadwerkelijke inschakeling van de zone (einde van de uitgangstijd)

    • Stil – indien actief, wordt bij activatie met ingeschakeld systeem geen alarm gegenereerd, maar alleen een activatiegebeurtenis geregistreerd in het archief

    • Dubbele detectie – indien actief, wordt alleen een alarm gegenereerd bij ingeschakeld systeem als er twee activaties van deze sensor plaatsvinden binnen het ingestelde tijdsinterval. De eerste activering zal dus een pre-alarmconditie genereren (geen melding van alarm maar alleen een notitie in het gebeurtenisarchief) en pas een tweede activering vóór het einde van de ingestelde tijd zal een echt alarm genereren. Bij afwezigheid van een tweede detectie binnen de ingestelde tijd wordt de pre-alarmconditie geannuleerd en wordt de cyclus opnieuw gestart voor een nieuwe dubbele activering.

    • Bevestiging door andere sensor vereist – indien geactiveerd, zal er alleen een alarm worden gegenereerd bij een ingeschakeld systeem als er activeringen plaatsvinden van twee verschillende sensoren, beide met het attribuut “Bevestiging door andere sensor vereist” binnen het ingestelde tijdsinterval. De eerste activering zal dus een pre-alarmconditie genereren (geen melding van alarm maar alleen een notitie in het gebeurtenisarchief) en alleen de activering van de tweede sensor vóór het einde van de ingestelde tijd zal een echt alarm genereren. Bij afwezigheid van een tweede detectie binnen de ingestelde tijd wordt de pre-alarmconditie geannuleerd en wordt de cyclus opnieuw gestart voor een nieuwe dubbele activering.

    • Vertraging met nacht/gedeeltelijk (alleen beschikbaar als de sensor is ingesteld met reactietype Onmiddellijk) – indien geactiveerd, wordt de ingestelde ingangvertraging alleen gebruikt wanneer het systeem is ingeschakeld in nacht- of gedeeltelijke modus. Voor volledige inschakeling wordt er geen enkele ingangvertraging gebruikt

    • Uitschakelen van uitgangsvertraging met nacht/gedeeltelijk (alleen beschikbaar als de sensor is ingesteld met reactietype Ingang/uitgang) – indien geactiveerd, wordt de ingestelde uitgangsvertraging genegeerd (op nul gezet) wanneer het systeem is ingeschakeld in nacht- of gedeeltelijke modus. Voor volledige inschakeling wordt normaal gesproken de ingestelde uitgangsvertraging gebruikt.

  • Geavanceerde instellingen

    • Camera-instelling
      • Beeldresolutie – hiermee kan de resolutie van het beeld worden geselecteerd dat wordt gegenereerd bij een alarm of op aanvraag. De selecteerbare resolutiewaarden zijn laag (208×128 pixels), gemiddeld (400×240 pixels) of hoog (800×480 pixels).
      • Aantal beelden – hiermee kan het aantal vastgelegde en verzonden beelden bij een alarm worden geselecteerd.
    • Sensorinstellingen
      • IR-gevoeligheid – hiermee kan een hoge gevoeligheid (groter detectievermogen van indringers) of lage gevoeligheid (minder detectievermogen van indringers) worden geselecteerd. De standaardwaarde is “hoge gevoeligheid”, maar in sommige gevallen kan het detectievermogen van de sensor worden verminderd om valse alarmen te voorkomen, terwijl het vermogen om indringers te detecteren behouden blijft (bijvoorbeeld als er grote huisdieren aanwezig zijn). Een echte test wordt aanbevolen (zie Sensorentest) om te controleren of de geselecteerde waarde geschikt is voor het specifieke gebruik.
      • Batterijbesparing – hiermee kan de energiebesparingsmodus worden ingeschakeld (AAN) of uitgeschakeld (UIT), wat zorgt voor een langere levensduur van de batterijen. Als de batterijbesparing is uitgeschakeld, verzendt de sensor één detectie en wacht vervolgens 1 minuut voordat een nieuwe melding wordt verzonden, zowel bij een ingeschakeld als uitgeschakeld systeem. Als de batterijbesparing is ingeschakeld, verzendt de sensor één detectie en wacht vervolgens 3 minuten voordat een nieuwe melding wordt verzonden, zowel bij een ingeschakeld als uitgeschakeld systeem.


Openingssensoren met enkele bekabelde ingang (RF1MCW / RF1MCB)

  • Magnetisch contact – hiermee kan de interne magneetsensor worden in- of uitgeschakeld. Indien alleen de bekabelde ingang wordt gebruikt zonder de magneetdetector, schakel deze optie uit.

  • Type reactie

  • Partities – definieert aan welke partities de sensor is gekoppeld. Let op: bij koppeling aan twee of meer partities genereert deze sensor alleen een alarm wanneer alle partities waartoe hij behoort zijn ingeschakeld.

  • Alarm open deksel – maakt het mogelijk de sabotage-meldingsnotificatie te activeren of te deactiveren bij het openen van de behuizing van de sensor

  • LED – maakt het mogelijk de LED op het toestel in of uit te schakelen. Indien actief zal de LED bij elke detectie inschakelen

  • Attributen

    • Nacht – indien actief, maakt het mogelijk dat deze sensor alarmen genereert bij inschakeling van het alarm in nachtmodus, evenals bij volledige inschakeling

    • Gedeeltelijk – indien actief, maakt het mogelijk dat deze sensor ook alarmen genereert bij inschakeling van het alarm in gedeeltelijke modus, evenals bij volledige inschakeling

    • Deurbel – indien geactiveerd en als er een RFKP-radiotoetsenbord is geïnstalleerd, genereert elke activering een korte geluidssignaal op het toetsenbord.

    • Uitsluitbaar – deze optie heeft een verschillend gedrag afhankelijk van of de sensor is ingesteld op type reactie Onmiddellijk of Ingang/uitgang

      • Voor onmiddellijke sensoren maakt deze optie automatisch herstel van de sensor mogelijk in het geval van een tijdelijke handmatige uitsluiting of een “geforceerde” inschakeling van het alarm. Met andere woorden, een sensor die zich in detectiemodus bevindt op het moment van inschakeling van het alarm, wordt automatisch uitgesloten bij inschakeling via afstandsbediening of toetsenbord (in de APP wordt de gebruiker gevraagd of hij wil uitsluiten of handmatig een “rusttoestand” wil herstellen vóór het inschakelen). Vervolgens, tijdens de inschakelfase van het alarm, zijn er twee mogelijke gedragingen:

        • als de optie uitsluitbaar actief is, genereert de sensor een alarm bij een nieuwe activatie tijdens de inschakelcyclus (uitsluiting met automatisch herstel).

        • als de optie uitsluitbaar niet actief is, genereert de sensor geen enkel alarm, zelfs niet bij volgende activaties gedurende de hele inschakelcyclus (uitsluiting zonder automatisch herstel),

      • Voor vertraagde sensoren (reactie Ingang/uitgang) maakt deze optie automatische uitsluiting van de sensor mogelijk als deze zich in detectiemodus bevindt aan het einde van de uitgangstijd. Met andere woorden, aan het einde van de uitgangstijd met de sensor in detectiefase zijn er twee mogelijke gedragingen:

        • als de optie uitsluitbaar actief is, wordt de sensor uitgesloten gedurende de hele inschakelcyclus (uitsluiting zonder automatisch herstel),

        • als de optie uitsluitbaar niet actief is, genereert de sensor een alarm op het moment van daadwerkelijke inschakeling van de zone (einde van de uitgangstijd)

    • Stil – indien actief, wordt bij activatie met ingeschakeld systeem geen alarm gegenereerd, maar alleen een activatiegebeurtenis geregistreerd in het archief

    • Dubbele detectie – indien actief, wordt alleen een alarm gegenereerd bij ingeschakeld systeem als er twee activaties van deze sensor plaatsvinden binnen het ingestelde tijdsinterval. De eerste activering zal dus een pre-alarmconditie genereren (geen melding van alarm maar alleen een notitie in het gebeurtenisarchief) en pas een tweede activering vóór het einde van de ingestelde tijd zal een echt alarm genereren. Bij afwezigheid van een tweede detectie binnen de ingestelde tijd wordt de pre-alarmconditie geannuleerd en wordt de cyclus opnieuw gestart voor een nieuwe dubbele activering.

    • Bevestiging door andere sensor vereist – indien geactiveerd, zal er alleen een alarm worden gegenereerd bij een ingeschakeld systeem als er activeringen plaatsvinden van twee verschillende sensoren, beide met het attribuut “Bevestiging door andere sensor vereist” binnen het ingestelde tijdsinterval. De eerste activering zal dus een pre-alarmconditie genereren (geen melding van alarm maar alleen een notitie in het gebeurtenisarchief) en alleen de activering van de tweede sensor vóór het einde van de ingestelde tijd zal een echt alarm genereren. Bij afwezigheid van een tweede detectie binnen de ingestelde tijd wordt de pre-alarmconditie geannuleerd en wordt de cyclus opnieuw gestart voor een nieuwe dubbele activering.

    • Vertraging met nacht/gedeeltelijk (alleen beschikbaar als de sensor is ingesteld met reactietype Onmiddellijk) – indien geactiveerd, wordt de ingestelde ingangvertraging alleen gebruikt wanneer het systeem is ingeschakeld in nacht- of gedeeltelijke modus. Voor volledige inschakeling wordt er geen enkele ingangvertraging gebruikt

    • Uitschakelen van uitgangsvertraging met nacht/gedeeltelijk (alleen beschikbaar als de sensor is ingesteld met reactietype Ingang/uitgang) – indien geactiveerd, wordt de ingestelde uitgangsvertraging genegeerd (op nul gezet) wanneer het systeem is ingeschakeld in nacht- of gedeeltelijke modus. Voor volledige inschakeling wordt normaal gesproken de ingestelde uitgangsvertraging gebruikt.

  • Bekabelde zones – hiermee kan de bekabelde ingang worden in- of uitgeschakeld voor het aansluiten van een extra alarmdetectietoestel (bijv. bekabeld magneetcontact). Door deze optie te selecteren, is het mogelijk om naar een volgende configuratiepagina te gaan waar een extra toestel “sensor -B” kan worden geactiveerd, waaraan een naam kan worden toegekend via de [potlood]-toets en specifieke eigenschappen kunnen worden gedefinieerd:

  • Type reactie

    • Onmiddellijk – genereert direct een alarm bij activatie met ingeschakeld systeem

    • Ingang/uitgang – tijdens het inschakelen van het systeem is deze alleen actief (dus in staat om een alarm te genereren) na afloop van de ingestelde uitgangsvertraging; bij een ingeschakeld systeem wordt bij activering alleen een alarm gegenereerd na afloop van de ingestelde ingangvertraging. De in- en uitgangstijden zijn per toestel afzonderlijk instelbaar tot maximaal 4 minuten en 15 seconden.

    • Altijd actief (24 uur per dag): bij elke activering wordt een 24U-alarm gegenereerd, zelfs als het systeem is uitgeschakeld

    • Inactiviteit 24U – genereert een “inactiviteitsalarm” als er geen activatie is binnen een periode van 24 uur. Dit alarm wordt genoteerd in het gebeurtenisarchief en gemeld aan een eventueel meldkamer, indien geprogrammeerd (zie “Remote bewaking”). Het is ook mogelijk om aan dit evenement specifieke acties te koppelen (bijv. meldingsnotificaties) door het aanmaken van specifieke automatiseringen (zie “Automatiseringen”).

    • Ingangspad – bij activatie met ingeschakeld systeem wordt direct een alarm gegenereerd als deze eerder wordt geactiveerd dan andere sensoren. Als de activatie daarentegen plaatsvindt tijdens een reeds door een andere sensor geactiveerde ingangstijd, wordt de eigen ingangstijd gebruikt voordat een alarm wordt gegenereerd. Het reactietype ingangsroute voorziet niet in uitgangsvertragingen tijdens het inschakelen van het systeem (onmiddellijk alarm) en wordt normaal gebruikt voor detectietoestellen die zich bevinden langs de toegangsroute naar een eventueel bedieningspaneel, binnen een partitie waarvan de omtrek door andere sensoren wordt beschermd.

  • Partities – definieert aan welke partities de sensor is gekoppeld. Let op: bij koppeling aan twee of meer partities genereert deze sensor alleen een alarm wanneer alle partities waartoe hij behoort zijn ingeschakeld.

  • Ingangsverbinding – hiermee kan het type bekabelde verbinding worden gedefinieerd dat moet worden gebruikt:

    • NO – normaal open
    • NC – normaal gesloten
    • Enkele balans – met gebruik van één enkele EOL-eindweerstand (waarde 1K8 ohm)
    • Dubbele balans – met gebruik van twee EOL-eindweerstanden (waarde 1K8 ohm elk)
  • Attributen

    • Nacht – indien actief, maakt het mogelijk dat deze sensor alarmen genereert bij inschakeling van het alarm in nachtmodus, evenals bij volledige inschakeling

    • Gedeeltelijk – indien actief, maakt het mogelijk dat deze sensor ook alarmen genereert bij inschakeling van het alarm in gedeeltelijke modus, evenals bij volledige inschakeling

    • Deurbel – indien geactiveerd en als er een RFKP-radiotoetsenbord is geïnstalleerd, genereert elke activering een korte geluidssignaal op het toetsenbord.

    • Uitsluitbaar – deze optie heeft een verschillend gedrag afhankelijk van of de sensor is ingesteld op type reactie Onmiddellijk of Ingang/uitgang

      • Voor onmiddellijke sensoren maakt deze optie automatisch herstel van de sensor mogelijk in het geval van een tijdelijke handmatige uitsluiting of een “geforceerde” inschakeling van het alarm. Met andere woorden, een sensor die zich in detectiemodus bevindt op het moment van inschakeling van het alarm, wordt automatisch uitgesloten bij inschakeling via afstandsbediening of toetsenbord (in de APP wordt de gebruiker gevraagd of hij wil uitsluiten of handmatig een “rusttoestand” wil herstellen vóór het inschakelen). Vervolgens, tijdens de inschakelfase van het alarm, zijn er twee mogelijke gedragingen:

        • als de optie uitsluitbaar actief is, genereert de sensor een alarm bij een nieuwe activatie tijdens de inschakelcyclus (uitsluiting met automatisch herstel).

        • als de optie uitsluitbaar niet actief is, genereert de sensor geen enkel alarm, zelfs niet bij volgende activaties gedurende de hele inschakelcyclus (uitsluiting zonder automatisch herstel),

      • Voor vertraagde sensoren (reactie Ingang/uitgang) maakt deze optie automatische uitsluiting van de sensor mogelijk als deze zich in detectiemodus bevindt aan het einde van de uitgangstijd. Met andere woorden, aan het einde van de uitgangstijd met de sensor in detectiefase zijn er twee mogelijke gedragingen:

        • als de optie uitsluitbaar actief is, wordt de sensor uitgesloten gedurende de hele inschakelcyclus (uitsluiting zonder automatisch herstel),

        • als de optie uitsluitbaar niet actief is, genereert de sensor een alarm op het moment van daadwerkelijke inschakeling van de zone (einde van de uitgangstijd)

    • Stil – indien actief, wordt bij activatie met ingeschakeld systeem geen alarm gegenereerd, maar alleen een activatiegebeurtenis geregistreerd in het archief

    • Dubbele detectie – indien actief, wordt alleen een alarm gegenereerd bij ingeschakeld systeem als er twee activaties van deze sensor plaatsvinden binnen het ingestelde tijdsinterval. De eerste activering zal dus een pre-alarmconditie genereren (geen melding van alarm maar alleen een notitie in het gebeurtenisarchief) en pas een tweede activering vóór het einde van de ingestelde tijd zal een echt alarm genereren. Bij afwezigheid van een tweede detectie binnen de ingestelde tijd wordt de pre-alarmconditie geannuleerd en wordt de cyclus opnieuw gestart voor een nieuwe dubbele activering.

    • Bevestiging door andere sensor vereist – indien geactiveerd, zal er alleen een alarm worden gegenereerd bij een ingeschakeld systeem als er activeringen plaatsvinden van twee verschillende sensoren, beide met het attribuut “Bevestiging door andere sensor vereist” binnen het ingestelde tijdsinterval. De eerste activering zal dus een pre-alarmconditie genereren (geen melding van alarm maar alleen een notitie in het gebeurtenisarchief) en alleen de activering van de tweede sensor vóór het einde van de ingestelde tijd zal een echt alarm genereren. Bij afwezigheid van een tweede detectie binnen de ingestelde tijd wordt de pre-alarmconditie geannuleerd en wordt de cyclus opnieuw gestart voor een nieuwe dubbele activering.

    • Vertraging met nacht/gedeeltelijk (alleen beschikbaar als de sensor is ingesteld met reactietype Onmiddellijk) – indien geactiveerd, wordt de ingestelde ingangvertraging alleen gebruikt wanneer het systeem is ingeschakeld in nacht- of gedeeltelijke modus. Voor volledige inschakeling wordt er geen enkele ingangvertraging gebruikt

    • Uitschakelen van uitgangsvertraging met nacht/gedeeltelijk (alleen beschikbaar als de sensor is ingesteld met reactietype Ingang/uitgang) – indien geactiveerd, wordt de ingestelde uitgangsvertraging genegeerd (op nul gezet) wanneer het systeem is ingeschakeld in nacht- of gedeeltelijke modus. Voor volledige inschakeling wordt normaal gesproken de ingestelde uitgangsvertraging gebruikt.



Openingssensoren met dubbele bekabelde ingang (RF2MCW / RF2MCB)

  • Magnetisch contact – hiermee kan de interne magneetsensor worden in- of uitgeschakeld. Indien alleen de bekabelde ingang wordt gebruikt zonder de magneetdetector, schakel deze optie uit.

  • Type reactie

  • Partities – definieert aan welke partities de sensor is gekoppeld. Let op: bij koppeling aan twee of meer partities genereert deze sensor alleen een alarm wanneer alle partities waartoe hij behoort zijn ingeschakeld.

  • Alarm open deksel – maakt het mogelijk de sabotage-meldingsnotificatie te activeren of te deactiveren bij het openen van de behuizing van de sensor

  • LED – maakt het mogelijk de LED op het toestel in of uit te schakelen. Indien actief zal de LED bij elke detectie inschakelen

  • Attributen

    • Nacht – indien actief, maakt het mogelijk dat deze sensor alarmen genereert bij inschakeling van het alarm in nachtmodus, evenals bij volledige inschakeling

    • Gedeeltelijk – indien actief, maakt het mogelijk dat deze sensor ook alarmen genereert bij inschakeling van het alarm in gedeeltelijke modus, evenals bij volledige inschakeling

    • Deurbel – indien geactiveerd en als er een RFKP-radiotoetsenbord is geïnstalleerd, genereert elke activering een korte geluidssignaal op het toetsenbord.

    • Uitsluitbaar – deze optie heeft een verschillend gedrag afhankelijk van of de sensor is ingesteld op type reactie Onmiddellijk of Ingang/uitgang

      • Voor onmiddellijke sensoren maakt deze optie automatisch herstel van de sensor mogelijk in het geval van een tijdelijke handmatige uitsluiting of een “geforceerde” inschakeling van het alarm. Met andere woorden, een sensor die zich in detectiemodus bevindt op het moment van inschakeling van het alarm, wordt automatisch uitgesloten bij inschakeling via afstandsbediening of toetsenbord (in de APP wordt de gebruiker gevraagd of hij wil uitsluiten of handmatig een “rusttoestand” wil herstellen vóór het inschakelen). Vervolgens, tijdens de inschakelfase van het alarm, zijn er twee mogelijke gedragingen:

        • als de optie uitsluitbaar actief is, genereert de sensor een alarm bij een nieuwe activatie tijdens de inschakelcyclus (uitsluiting met automatisch herstel).

        • als de optie uitsluitbaar niet actief is, genereert de sensor geen enkel alarm, zelfs niet bij volgende activaties gedurende de hele inschakelcyclus (uitsluiting zonder automatisch herstel),

      • Voor vertraagde sensoren (reactie Ingang/uitgang) maakt deze optie automatische uitsluiting van de sensor mogelijk als deze zich in detectiemodus bevindt aan het einde van de uitgangstijd. Met andere woorden, aan het einde van de uitgangstijd met de sensor in detectiefase zijn er twee mogelijke gedragingen:

        • als de optie uitsluitbaar actief is, wordt de sensor uitgesloten gedurende de hele inschakelcyclus (uitsluiting zonder automatisch herstel),

        • als de optie uitsluitbaar niet actief is, genereert de sensor een alarm op het moment van daadwerkelijke inschakeling van de zone (einde van de uitgangstijd)

    • Stil – indien actief, wordt bij activatie met ingeschakeld systeem geen alarm gegenereerd, maar alleen een activatiegebeurtenis geregistreerd in het archief

    • Dubbele detectie – indien actief, wordt alleen een alarm gegenereerd bij ingeschakeld systeem als er twee activaties van deze sensor plaatsvinden binnen het ingestelde tijdsinterval. De eerste activering zal dus een pre-alarmconditie genereren (geen melding van alarm maar alleen een notitie in het gebeurtenisarchief) en pas een tweede activering vóór het einde van de ingestelde tijd zal een echt alarm genereren. Bij afwezigheid van een tweede detectie binnen de ingestelde tijd wordt de pre-alarmconditie geannuleerd en wordt de cyclus opnieuw gestart voor een nieuwe dubbele activering.

    • Bevestiging door andere sensor vereist – indien geactiveerd, zal er alleen een alarm worden gegenereerd bij een ingeschakeld systeem als er activeringen plaatsvinden van twee verschillende sensoren, beide met het attribuut “Bevestiging door andere sensor vereist” binnen het ingestelde tijdsinterval. De eerste activering zal dus een pre-alarmconditie genereren (geen melding van alarm maar alleen een notitie in het gebeurtenisarchief) en alleen de activering van de tweede sensor vóór het einde van de ingestelde tijd zal een echt alarm genereren. Bij afwezigheid van een tweede detectie binnen de ingestelde tijd wordt de pre-alarmconditie geannuleerd en wordt de cyclus opnieuw gestart voor een nieuwe dubbele activering.

    • Vertraging met nacht/gedeeltelijk (alleen beschikbaar als de sensor is ingesteld met reactietype Onmiddellijk) – indien geactiveerd, wordt de ingestelde ingangvertraging alleen gebruikt wanneer het systeem is ingeschakeld in nacht- of gedeeltelijke modus. Voor volledige inschakeling wordt er geen enkele ingangvertraging gebruikt

    • Uitschakelen van uitgangsvertraging met nacht/gedeeltelijk (alleen beschikbaar als de sensor is ingesteld met reactietype Ingang/uitgang) – indien geactiveerd, wordt de ingestelde uitgangsvertraging genegeerd (op nul gezet) wanneer het systeem is ingeschakeld in nacht- of gedeeltelijke modus. Voor volledige inschakeling wordt normaal gesproken de ingestelde uitgangsvertraging gebruikt.

  • Bekabelde zones – hiermee kunnen de bekabelde ingangen worden in- of uitgeschakeld voor het aansluiten van extra alarmdetectietoestellen (bijv. bekabelde magneetcontacten). Door deze optie te selecteren, is het mogelijk om naar een volgende configuratiepagina te gaan waar één of meer extra toestellen (“sensor -B” en/of “sensor -C”) kunnen worden geactiveerd, waaraan een naam kan worden toegekend via de [potlood]-toets en specifieke eigenschappen voor elk kunnen worden gedefinieerd (selecteer bovenste tab):

  • Type reactie

    • Onmiddellijk – genereert direct een alarm bij activatie met ingeschakeld systeem

    • Ingang/uitgang – tijdens het inschakelen van het systeem is deze alleen actief (dus in staat om een alarm te genereren) na afloop van de ingestelde uitgangsvertraging; bij een ingeschakeld systeem wordt bij activering alleen een alarm gegenereerd na afloop van de ingestelde ingangvertraging. De in- en uitgangstijden zijn per toestel afzonderlijk instelbaar tot maximaal 4 minuten en 15 seconden.

    • Altijd actief (24 uur per dag): bij elke activering wordt een 24U-alarm gegenereerd, zelfs als het systeem is uitgeschakeld

    • Inactiviteit 24U – genereert een “inactiviteitsalarm” als er geen activatie is binnen een periode van 24 uur. Dit alarm wordt genoteerd in het gebeurtenisarchief en gemeld aan een eventueel meldcentrum, indien geprogrammeerd (zie Remote bewaking). Het is ook mogelijk om aan dit evenement specifieke acties te koppelen (bijv. meldingsnotificaties) door het aanmaken van specifieke automatiseringen (zie Scenario’s).

    • Ingangspad – bij activatie met ingeschakeld systeem wordt direct een alarm gegenereerd als deze eerder wordt geactiveerd dan andere sensoren. Als de activatie daarentegen plaatsvindt tijdens een reeds door een andere sensor geactiveerde ingangstijd, wordt de eigen ingangstijd gebruikt voordat een alarm wordt gegenereerd. Het reactietype ingangsroute voorziet niet in uitgangsvertragingen tijdens het inschakelen van het systeem (onmiddellijk alarm) en wordt normaal gebruikt voor detectietoestellen die zich bevinden langs de toegangsroute naar een eventueel bedieningspaneel, binnen een partitie waarvan de omtrek door andere sensoren wordt beschermd.

  • Partities – definieert aan welke partities de sensor is gekoppeld. Let op: bij koppeling aan twee of meer partities genereert deze sensor alleen een alarm wanneer alle partities waartoe hij behoort zijn ingeschakeld.

  • Ingangsverbinding – hiermee kan het type bekabelde verbinding worden gedefinieerd dat moet worden gebruikt:

    • NO – normaal open
    • NC – normaal gesloten
    • Enkele balans – met gebruik van één enkele EOL-eindweerstand (waarde 1K8 ohm)
    • Dubbele balans – met gebruik van twee EOL-eindweerstanden (waarde 1K8 ohm elk)
  • Attributen

    • Nacht – indien actief, maakt het mogelijk dat deze sensor alarmen genereert bij inschakeling van het alarm in nachtmodus, evenals bij volledige inschakeling

    • Gedeeltelijk – indien actief, maakt het mogelijk dat deze sensor ook alarmen genereert bij inschakeling van het alarm in gedeeltelijke modus, evenals bij volledige inschakeling

    • Deurbel – indien geactiveerd en als er een RFKP-radiotoetsenbord is geïnstalleerd, genereert elke activering een korte geluidssignaal op het toetsenbord.

    • Uitsluitbaar – deze optie heeft een verschillend gedrag afhankelijk van of de sensor is ingesteld met reactietype Onmiddellijk of Ingang/uitgang.

      • Voor onmiddellijke sensoren maakt deze optie automatisch herstel van de sensor mogelijk in het geval van een tijdelijke handmatige uitsluiting of een “geforceerde” inschakeling van het alarm. Met andere woorden, een sensor die zich in detectiemodus bevindt op het moment van inschakeling van het alarm, wordt automatisch uitgesloten bij inschakeling via afstandsbediening of toetsenbord (in de APP wordt de gebruiker gevraagd of hij wil uitsluiten of handmatig een “rusttoestand” wil herstellen vóór het inschakelen). Vervolgens, tijdens de inschakelfase van het alarm, zijn er twee mogelijke gedragingen:

        • als de optie uitsluitbaar actief is, genereert de sensor een alarm bij een nieuwe activatie tijdens de inschakelcyclus (uitsluiting met automatisch herstel).

        • Als de optie uitsluitbaar niet actief is, zal de sensor geen enkel alarm genereren, zelfs niet bij volgende activeringen gedurende de hele inschakelcyclus (uitsluiting zonder automatisch herstel)

      • Voor vertraagde sensoren (reactie Ingang/uitgang) maakt deze optie automatische uitsluiting van de sensor mogelijk als deze zich in detectiemodus bevindt aan het einde van de uitgangstijd. Met andere woorden, aan het einde van de uitgangstijd met de sensor in detectiefase zijn er twee mogelijke gedragingen:

        • Als de optie uitsluitbaar actief is, wordt de sensor uitgesloten gedurende de hele inschakelcyclus (uitsluiting zonder automatisch herstel).

        • Als de optie uitsluitbaar niet actief is, zal de sensor een alarm genereren op het moment van de daadwerkelijke inschakeling van de zone (einde van de uitgangstijd).

    • Stil – indien actief, wordt bij activatie met ingeschakeld systeem geen alarm gegenereerd, maar alleen een activatiegebeurtenis geregistreerd in het archief

    • Dubbele detectie – indien actief, wordt alleen een alarm gegenereerd bij ingeschakeld systeem als er twee activaties van deze sensor plaatsvinden binnen het ingestelde tijdsinterval. De eerste activering zal dus een pre-alarmconditie genereren (geen melding van alarm maar alleen een notitie in het gebeurtenisarchief) en pas een tweede activering vóór het einde van de ingestelde tijd zal een echt alarm genereren. Bij afwezigheid van een tweede detectie binnen de ingestelde tijd wordt de pre-alarmconditie geannuleerd en wordt de cyclus opnieuw gestart voor een nieuwe dubbele activering.

    • Bevestiging door andere sensor vereist – indien geactiveerd, zal er alleen een alarm worden gegenereerd bij een ingeschakeld systeem als er activeringen plaatsvinden van twee verschillende sensoren, beide met het attribuut “Bevestiging door andere sensor vereist” binnen het ingestelde tijdsinterval. De eerste activering zal dus een pre-alarmconditie genereren (geen melding van alarm maar alleen een notitie in het gebeurtenisarchief) en alleen de activering van de tweede sensor vóór het einde van de ingestelde tijd zal een echt alarm genereren. Bij afwezigheid van een tweede detectie binnen de ingestelde tijd wordt de pre-alarmconditie geannuleerd en wordt de cyclus opnieuw gestart voor een nieuwe dubbele activering.

    • Vertraging met nacht/gedeeltelijk (alleen beschikbaar als de sensor is ingesteld met reactietype Onmiddellijk) – indien geactiveerd, wordt de ingestelde ingangvertraging alleen gebruikt wanneer het systeem is ingeschakeld in nacht- of gedeeltelijke modus. Voor volledige inschakeling wordt er geen enkele ingangvertraging gebruikt

    • Uitschakelen van uitgangsvertraging met nacht/gedeeltelijk (alleen beschikbaar als de sensor is ingesteld met reactietype Ingang/uitgang) – indien geactiveerd, wordt de ingestelde uitgangsvertraging genegeerd (op nul gezet) wanneer het systeem is ingeschakeld in nacht- of gedeeltelijke modus. Voor volledige inschakeling wordt normaal gesproken de ingestelde uitgangsvertraging gebruikt.



Volumetrische buitensensoren (RFOPDP, RFOPTT)

  • Type reactie

  • Partities – definieert aan welke partities de sensor is gekoppeld. Let op: bij koppeling aan twee of meer partities genereert deze sensor alleen een alarm wanneer alle partities waartoe hij behoort zijn ingeschakeld.

  • Alarm open deksel – maakt het mogelijk de sabotage-meldingsnotificatie te activeren of te deactiveren bij het openen van de behuizing van de sensor

  • LED – maakt het mogelijk de LED op het toestel in of uit te schakelen. Indien actief zal de LED bij elke detectie inschakelen

  • Attributen

    • Nacht – indien actief, maakt het mogelijk dat deze sensor alarmen genereert bij inschakeling van het alarm in nachtmodus, evenals bij volledige inschakeling

    • Gedeeltelijk – indien actief, maakt het mogelijk dat deze sensor ook alarmen genereert bij inschakeling van het alarm in gedeeltelijke modus, evenals bij volledige inschakeling

    • Uitsluitbaar – deze optie heeft een verschillend gedrag afhankelijk van of de sensor is ingesteld op type reactie Onmiddellijk of Ingang/uitgang

      • Voor onmiddellijke sensoren maakt deze optie automatisch herstel van de sensor mogelijk in het geval van een tijdelijke handmatige uitsluiting of een “geforceerde” inschakeling van het alarm. Met andere woorden, een sensor die zich in detectiemodus bevindt op het moment van inschakeling van het alarm, wordt automatisch uitgesloten bij inschakeling via afstandsbediening of toetsenbord (in de APP wordt de gebruiker gevraagd of hij wil uitsluiten of handmatig een “rusttoestand” wil herstellen vóór het inschakelen). Vervolgens, tijdens de inschakelfase van het alarm, zijn er twee mogelijke gedragingen:

        • als de optie uitsluitbaar actief is, genereert de sensor een alarm bij een nieuwe activatie tijdens de inschakelcyclus (uitsluiting met automatisch herstel).

        • als de optie uitsluitbaar niet actief is, genereert de sensor geen enkel alarm, zelfs niet bij volgende activaties gedurende de hele inschakelcyclus (uitsluiting zonder automatisch herstel),

      • Voor vertraagde sensoren (reactie Ingang/uitgang) maakt deze optie automatische uitsluiting van de sensor mogelijk als deze zich in detectiemodus bevindt aan het einde van de uitgangstijd. Met andere woorden, aan het einde van de uitgangstijd met de sensor in detectiefase zijn er twee mogelijke gedragingen:

        • als de optie uitsluitbaar actief is, wordt de sensor uitgesloten gedurende de hele inschakelcyclus (uitsluiting zonder automatisch herstel),

        • als de optie uitsluitbaar niet actief is, genereert de sensor een alarm op het moment van daadwerkelijke inschakeling van de zone (einde van de uitgangstijd)

    • Stil – indien actief, wordt bij activatie met ingeschakeld systeem geen alarm gegenereerd, maar alleen een activatiegebeurtenis geregistreerd in het archief

    • Dubbele detectie – indien actief, wordt alleen een alarm gegenereerd bij ingeschakeld systeem als er twee activaties van deze sensor plaatsvinden binnen het ingestelde tijdsinterval. De eerste activering zal dus een pre-alarmconditie genereren (geen melding van alarm maar alleen een notitie in het gebeurtenisarchief) en pas een tweede activering vóór het einde van de ingestelde tijd zal een echt alarm genereren. Bij afwezigheid van een tweede detectie binnen de ingestelde tijd wordt de pre-alarmconditie geannuleerd en wordt de cyclus opnieuw gestart voor een nieuwe dubbele activering.

    • Bevestiging door andere sensor vereist – indien geactiveerd, zal er alleen een alarm worden gegenereerd bij een ingeschakeld systeem als er activeringen plaatsvinden van twee verschillende sensoren, beide met het attribuut “Bevestiging door andere sensor vereist” binnen het ingestelde tijdsinterval. De eerste activering zal dus een pre-alarmconditie genereren (geen melding van alarm maar alleen een notitie in het gebeurtenisarchief) en alleen de activering van de tweede sensor vóór het einde van de ingestelde tijd zal een echt alarm genereren. Bij afwezigheid van een tweede detectie binnen de ingestelde tijd wordt de pre-alarmconditie geannuleerd en wordt de cyclus opnieuw gestart voor een nieuwe dubbele activering.

    • Vertraging met nacht/gedeeltelijk (alleen beschikbaar als de sensor is ingesteld met reactietype Onmiddellijk) – indien geactiveerd, wordt de ingestelde ingangvertraging alleen gebruikt wanneer het systeem is ingeschakeld in nacht- of gedeeltelijke modus. Voor volledige inschakeling wordt er geen enkele ingangvertraging gebruikt

    • Uitschakelen van uitgangsvertraging met nacht/gedeeltelijk (alleen beschikbaar als de sensor is ingesteld met reactietype Ingang/uitgang) – indien geactiveerd, wordt de ingestelde uitgangsvertraging genegeerd (op nul gezet) wanneer het systeem is ingeschakeld in nacht- of gedeeltelijke modus. Voor volledige inschakeling wordt normaal gesproken de ingestelde uitgangsvertraging gebruikt.

  • Geavanceerde instellingen

    • Bovengrens IR-gevoeligheid – hiermee kan een hoge gevoeligheid (groter detectievermogen van indringers) of lage gevoeligheid (minder detectievermogen van indringers) worden geselecteerd voor de onderste infraroodkop. De standaardwaarde is “hoge gevoeligheid”, maar in sommige gevallen kan het detectievermogen van de sensor worden verminderd om valse alarmen te voorkomen, terwijl het vermogen om indringers te detecteren behouden blijft. Een echte test wordt aanbevolen (zie Sensorentest) om te controleren of de geselecteerde waarde geschikt is voor het specifieke gebruik.
    • Bovenzijde IR-gevoeligheid – hiermee kan een hoge gevoeligheid (groter vermogen om indringers te detecteren) of lage gevoeligheid (minder vermogen om indringers te detecteren) worden geselecteerd voor de bovenste infraroodkop. De standaardwaarde is “hoge gevoeligheid”, maar in sommige gevallen kan het detectievermogen van de sensor worden verminderd om valse alarmen te voorkomen, terwijl het vermogen om indringers te detecteren behouden blijft. Een echte test wordt aanbevolen (zie Sensorentest) om te controleren of de geselecteerde waarde geschikt is voor het specifieke gebruik.
    • MW-gevoeligheid (alleen voor model RFOPTT) – hiermee kan een hoge gevoeligheid (groter vermogen om indringers te detecteren) of lage gevoeligheid (minder vermogen om indringers te detecteren) worden geselecteerd voor de microgolfdetectiekop. De standaardwaarde is “hoge gevoeligheid”, maar in sommige gevallen kan het detectievermogen van de sensor worden verminderd om valse alarmen te voorkomen, terwijl het vermogen om indringers te detecteren behouden blijft. Een echte test wordt aanbevolen (zie Sensorentest) om te controleren of de geselecteerde waarde geschikt is voor het specifieke gebruik.
    • Antimasking – hiermee kan de antimasking-beveiliging worden in- of uitgeschakeld, die een specifiek alarm meldt in geval van afdekking van de lenzen. De selecteerbare waarden zijn uitgeschakeld, altijd actief of alleen actief boven 0°C (de laatste wordt aanbevolen in koude omgevingen om mogelijke valse alarmen te voorkomen die worden veroorzaakt door het ontstaan van een ijslaagje op de sensor).


Andere sensoren (GENERIC)

  • Type reactie

  • Partities – definieert aan welke partities de sensor is gekoppeld. Let op: bij koppeling aan twee of meer partities genereert deze sensor alleen een alarm wanneer alle partities waartoe hij behoort zijn ingeschakeld.

  • Alarm open deksel – maakt het mogelijk de sabotage-meldingsnotificatie te activeren of te deactiveren bij het openen van de behuizing van de sensor

  • Attributen

    • Nacht – indien actief, maakt het mogelijk dat deze sensor alarmen genereert bij inschakeling van het alarm in nachtmodus, evenals bij volledige inschakeling

    • Gedeeltelijk – indien actief, maakt het mogelijk dat deze sensor ook alarmen genereert bij inschakeling van het alarm in gedeeltelijke modus, evenals bij volledige inschakeling

    • Uitsluitbaar – deze optie heeft een verschillend gedrag afhankelijk van of de sensor is ingesteld op type reactie Onmiddellijk of Ingang/uitgang

      • Voor onmiddellijke sensoren maakt deze optie automatisch herstel van de sensor mogelijk in het geval van een tijdelijke handmatige uitsluiting of een “geforceerde” inschakeling van het alarm. Met andere woorden, een sensor die zich in detectiemodus bevindt op het moment van inschakeling van het alarm, wordt automatisch uitgesloten bij inschakeling via afstandsbediening of toetsenbord (in de APP wordt de gebruiker gevraagd of hij wil uitsluiten of handmatig een “rusttoestand” wil herstellen vóór het inschakelen). Vervolgens, tijdens de inschakelfase van het alarm, zijn er twee mogelijke gedragingen:

        • als de optie uitsluitbaar actief is, genereert de sensor een alarm bij een nieuwe activatie tijdens de inschakelcyclus (uitsluiting met automatisch herstel).

        • als de optie uitsluitbaar niet actief is, genereert de sensor geen enkel alarm, zelfs niet bij volgende activaties gedurende de hele inschakelcyclus (uitsluiting zonder automatisch herstel),

      • Voor vertraagde sensoren (reactie Ingang/uitgang) maakt deze optie automatische uitsluiting van de sensor mogelijk als deze zich in detectiemodus bevindt aan het einde van de uitgangstijd. Met andere woorden, aan het einde van de uitgangstijd met de sensor in detectiefase zijn er twee mogelijke gedragingen:

        • als de optie uitsluitbaar actief is, wordt de sensor uitgesloten gedurende de hele inschakelcyclus (uitsluiting zonder automatisch herstel),

        • als de optie uitsluitbaar niet actief is, genereert de sensor een alarm op het moment van daadwerkelijke inschakeling van de zone (einde van de uitgangstijd)

    • Stil – indien actief, wordt bij activatie met ingeschakeld systeem geen alarm gegenereerd, maar alleen een activatiegebeurtenis geregistreerd in het archief

    • Dubbele detectie – indien actief, wordt alleen een alarm gegenereerd bij ingeschakeld systeem als er twee activaties van deze sensor plaatsvinden binnen het ingestelde tijdsinterval. De eerste activering zal dus een pre-alarmconditie genereren (geen melding van alarm maar alleen een notitie in het gebeurtenisarchief) en pas een tweede activering vóór het einde van de ingestelde tijd zal een echt alarm genereren. Bij afwezigheid van een tweede detectie binnen de ingestelde tijd wordt de pre-alarmconditie geannuleerd en wordt de cyclus opnieuw gestart voor een nieuwe dubbele activering.

    • Bevestiging door andere sensor vereist – indien geactiveerd, zal er alleen een alarm worden gegenereerd bij een ingeschakeld systeem als er activeringen plaatsvinden van twee verschillende sensoren, beide met het attribuut “Bevestiging door andere sensor vereist” binnen het ingestelde tijdsinterval. De eerste activering zal dus een pre-alarmconditie genereren (geen melding van alarm maar alleen een notitie in het gebeurtenisarchief) en alleen de activering van de tweede sensor vóór het einde van de ingestelde tijd zal een echt alarm genereren. Bij afwezigheid van een tweede detectie binnen de ingestelde tijd wordt de pre-alarmconditie geannuleerd en wordt de cyclus opnieuw gestart voor een nieuwe dubbele activering.

    • Vertraging met nacht/gedeeltelijk (alleen beschikbaar als de sensor is ingesteld met reactietype Onmiddellijk) – indien geactiveerd, wordt de ingestelde ingangvertraging alleen gebruikt wanneer het systeem is ingeschakeld in nacht- of gedeeltelijke modus. Voor volledige inschakeling wordt er geen enkele ingangvertraging gebruikt

    • Uitschakelen van uitgangsvertraging met nacht/gedeeltelijk (alleen beschikbaar als de sensor is ingesteld met reactietype Ingang/uitgang) – indien geactiveerd, wordt de ingestelde uitgangsvertraging genegeerd (op nul gezet) wanneer het systeem is ingeschakeld in nacht- of gedeeltelijke modus. Voor volledige inschakeling wordt normaal gesproken de ingestelde uitgangsvertraging gebruikt.



Overstromingssensor (RFH2O)

  • Partities – definieert aan welke partities de sensor is gekoppeld.

  • Alarm open deksel – maakt het mogelijk de sabotage-meldingsnotificatie te activeren of te deactiveren bij het openen van de behuizing van de sensor

  • LED – maakt het mogelijk de LED op het toestel in of uit te schakelen. Indien actief zal de LED bij elke detectie inschakelen



Rook-/hittesensor (RFSMK)

  • Partities – definieert aan welke partities de sensor is gekoppeld.

  • Alarm open deksel – maakt het mogelijk de sabotage-meldingsnotificatie te activeren of te deactiveren bij het openen van de behuizing van de sensor

  • LED – maakt het mogelijk de LED op het toestel in of uit te schakelen. Indien actief zal de LED bij elke detectie inschakelen

  • Rook – hiermee kan de geïntegreerde rookdetector in de sensor worden in- of uitgeschakeld*

  • Hitte – hiermee kan de geïntegreerde hittemelder in de sensor worden in- of uitgeschakeld*

* het is niet mogelijk om beide sensoren uit te schakelen


5.2.2 Sirenes & uitgangen

Deze sectie omvat de binnen- of buitensirenes.

Als er al toestellen aan de centrale gekoppeld zijn, selecteer dan het toestel uit de lijst om de bijbehorende details en opties te bekijken.

De extra informatie is te vinden in het bovenste gedeelte (groen kader), uit te vouwen via de “>”-toets, en omvat:

  • Naam: bewerkbaar met de toets potlood

  • Model: geeft de specifieke code van het toestel weer (niet bewerkbaar)

  • Draadloos signaalniveau: realtime indicatie van de kwaliteit van de draadloze verbinding

    uitstekend_signaal uitstekend of zeer goed signaal
    goed_signaal goed signaal
    voldoende_signaal meer dan voldoende signaal
    zwak_signaal zwak signaal
    te_zwak_signaal te zwak signaal
  • Batterijniveau: realtime indicatie van de batterijstatus

    batterij-vol batterij met voldoende lading
    batterij-leeg lege batterij die vervangen moet worden
  • Serienummer van het toestel: geeft het unieke serienummer van het draadloze toestel weer

  • Firmwareversie: geeft de specifieke firmwareversie van het radio toestel weer (het duurt enkele seconden om bij te werken na de eerste koppeling)

  • Identificeer met brandende LED (Toestel zoeken): maakt het gemakkelijker om het specifieke toestel te identificeren door het inschakelen van de LED. In het geval van meerdere toestellen van hetzelfde model, gebruik deze functie om het knipperen van de LED op het betreffende toestel te activeren en te deactiveren.

  • Verwijderen toestel: met de toets prullenbak is het mogelijk een eerder gekoppeld toestel aan de centrale te verwijderen. Let op: het verwijderen verwijdert het toestel alleen uit de lijst van gekoppelde toestellen aan de centrale, maar voert geen reset uit van het toestel zelf. Om een nieuwe koppeling met een centrale uit te voeren, moet deze eerst worden gereset (zie Reset draadloze toestellen – registratie wissen).

  • Naam wijzigen: met de toets potlood is het mogelijk de naam van het toestel te bewerken.

Afhankelijk van het type toestellen zijn er meer of minder specifieke configuratieparameters beschikbaar:



Buitensirene (RFSIR702)

  • Partities – bepaalt aan welke partities de sirene is gekoppeld.

  • Dekking open alarm – hiermee kan de sabotage-melding worden in- of uitgeschakeld bij het openen van de behuizing van de sirene

  • Flitsactivering – hiermee kan de lichtmelding worden in- (AAN) of uitgeschakeld (UIT) bij activering na een alarm

  • Geavanceerde instellingen

    • Volume – bepaalt de geluidssterkte op 4 niveaus, van 0 (uit) tot 3 (maximaal volume)

    • Geluid bij inschakeling – hiermee kan het activeren van een kort geluidssignaal bij het inschakelen van het alarm worden in- of uitgeschakeld

    • Geluid bij uitschakeling – hiermee kan het activeren van een kort geluidssignaal bij het uitschakelen van het alarm worden in- of uitgeschakeld

    • Duur van het geluid – hiermee kan de duur van het geluid bij een alarm worden ingesteld. Zorg ervoor dat de standaardwaarde (3 minuten) ook voldoet aan de geldende algemene voorschriften op de installatieplaats met betrekking tot de openbare rust.

    • Geluidvertraging – hiermee kan de vertraging van het activeren van het geluid bij een alarm worden ingesteld (maximaal 4 uur 15 seconden). Op deze manier is het nog steeds mogelijk om ongewenste activering van de sirene te voorkomen bij onbedoelde alarmen, bijvoorbeeld bij te late uitschakeling met een te korte inlooptijd.



Binnensirene (RFSIR102)

  • Partities – bepaalt aan welke partities de sirene is gekoppeld.

  • Dekking open alarm – hiermee kan de sabotage-melding worden in- of uitgeschakeld bij het openen van de behuizing van de sirene

  • LED – hiermee kan de geïntegreerde LED voor lichtmelding worden in- (AAN) of uitgeschakeld (UIT)

  • Geavanceerde instellingen

    • Volume – bepaalt de geluidssterkte op 4 niveaus, van 0 (uit) tot 3 (maximaal volume)

    • Geluid bij inschakeling – hiermee kan het activeren van een kort geluidssignaal bij het inschakelen van het alarm worden in- of uitgeschakeld

    • Geluid bij uitschakeling – hiermee kan het activeren van een kort geluidssignaal bij het uitschakelen van het alarm worden in- of uitgeschakeld

    • Duur van het geluid – hiermee kan de duur van het geluid bij een alarm worden ingesteld. Zorg ervoor dat de standaardwaarde (3 minuten) ook voldoet aan de geldende algemene voorschriften op de installatieplaats met betrekking tot de openbare rust.

    • Geluidvertraging – hiermee kan de vertraging van het activeren van het geluid bij een alarm worden ingesteld (maximaal 4 uur 15 seconden). Op deze manier is het nog steeds mogelijk om ongewenste activering van de sirene te voorkomen bij onbedoelde alarmen, bijvoorbeeld bij te late uitschakeling met een te korte inlooptijd.


5.2.3 Randapparatuur

Deze sectie omvat de afstandsbedieningen en de bedieningspanelen.

Als er al toestellen aan de centrale gekoppeld zijn, selecteer dan het toestel uit de lijst om de bijbehorende details en opties te bekijken.

De extra informatie is te vinden in het bovenste gedeelte (groen kader), uit te vouwen via de “>”-toets, en omvat:

  • Naam: bewerkbaar met de toets potlood

  • Model: geeft de specifieke code van het toestel weer (niet bewerkbaar)

  • Draadloos signaalniveau: realtime indicatie van de kwaliteit van de draadloze verbinding

    uitstekend_signaal uitstekend of zeer goed signaal
    goed_signaal goed signaal
    voldoende_signaal meer dan voldoende signaal
    zwak_signaal zwak signaal
    te_zwak_signaal te zwak signaal
  • Batterijniveau: realtime indicatie van de batterijstatus

    batterij-vol batterij met voldoende lading
    batterij-leeg lege batterij die vervangen moet worden
  • Serienummer van het toestel: geeft het unieke serienummer van het draadloze toestel weer

  • Firmwareversie: geeft de specifieke firmwareversie van het radio toestel weer (het duurt enkele seconden om bij te werken na de eerste koppeling)

  • Identificeer met brandende LED (Toestel zoeken): maakt het gemakkelijker om het specifieke toestel te identificeren door het inschakelen van de LED. In het geval van meerdere toestellen van hetzelfde model, gebruik deze functie om het knipperen van de LED op het betreffende toestel te activeren of te deactiveren. Optie alleen beschikbaar voor draadloos toetsenbord model RFKP.

  • Verwijderen toestel: met de toets prullenbak is het mogelijk een eerder gekoppeld toestel aan de centrale te verwijderen. Let op: het verwijderen verwijdert het toestel alleen uit de lijst van gekoppelde toestellen aan de centrale, maar voert geen reset uit van het toestel zelf. Om een nieuwe koppeling met een centrale uit te voeren, moet deze eerst worden gereset (zie “Reset draadloze toestellen – registratie wissen”).

  • Naam wijzigen: met de toets potlood is het mogelijk de naam van het toestel te bewerken.

Afhankelijk van het type toestellen zijn er meer of minder specifieke configuratieparameters beschikbaar:


Afstandsbediening (RF4KEY / RF4KEYW)


Toetsenbord (RFKP)

  • Partities – bepaalt aan welke partities het toetsenbord is gekoppeld. Bij handelingen waarbij een code wordt gebruikt (bijv. uitschakeling), is de daadwerkelijke controle van een partitie altijd afhankelijk van het gebruik van de code van een gebruiker die bevoegd is voor de betreffende partitie. Bijvoorbeeld, als het toetsenbord is geactiveerd voor de controle van partitie 1 en 2, zal de snelle inschakeling op beide partities van toepassing zijn, maar bij uitschakeling, als ik de code gebruik van een gebruiker die alleen bevoegd is voor partitie 1, zal de uitschakeling van partitie 2 niet worden uitgevoerd.

  • Dekking open alarm – hiermee kan de sabotage-melding worden in- of uitgeschakeld bij het openen van de behuizing van de sirene

  • Geluid – hiermee kan de geluidsmelding van specifieke gebeurtenissen en de bijbehorende geluidssterkte worden in- of uitgeschakeld

    • Geluid activeren – hiermee kan de geluidsmelding voor elk afzonderlijk evenement worden in- of uitgeschakeld:

      • Ingangstijd

      • Uitgangstijd

      • Inschakelen/uitschakelen

      • Alarm

      • Toetsindruk

      • Deurbel (in combinatie met een sensor met een specifiek attribuut)

    • Duur van het geluid – bepaalt de duur van het geluid bij een alarm (max. 300 seconden)

  • Achtergrondverlichting – hiermee kan de achtergrondverlichting van de toetsen en de bijbehorende lichtintensiteit worden in- of uitgeschakeld. Het activeren van de achtergrondverlichting van de toetsen wordt altijd door het toetsenbord beheerd en wordt alleen geactiveerd bij aanwezigheid van de gebruiker onder omstandigheden met weinig licht (behalve bij een alarmmelding).

  • Snelle inschakeling – hiermee kan de optie voor snelle inschakeling worden in- of uitgeschakeld (inschakeling zonder code door eenvoudigweg op de toets te drukken)

  • Aangepaste actie – hiermee kan de optie voor een snelcommando (nacht- of gedeeltelijke inschakeling / snelcommando / activering uitgang / automatisering) worden in- of uitgeschakeld, uit te voeren met een geldige code gevolgd door de toets “#”



5.3 Partities

De partities zijn logische groeperingen van toestellen, die elk kunnen worden toegewezen aan een zone. De partities komen overeen met de algemene ruimtes die men onafhankelijk wil beveiligen (bijv. kamers of specifieke ruimtes).

Als voorbeeld is het mogelijk een partitie voor de woning en een voor de kelder te maken. Elke partitie zal beschikken over een specifieke selectie van toestellen (detectoren en/of randapparatuur), zodat de inschakel- en uitschakelbewerkingen alleen effect hebben op die specifieke toestellen die in de betreffende partitie zijn opgenomen.

Het is mogelijk het alarm alleen voor de kelder in te schakelen en niet voor de woning. Door gebruik te maken van scenario’s is het vervolgens mogelijk om de inschakel-/uitschakelbewerkingen op meerdere partities te combineren in één enkel commando.

Het is mogelijk om tot 8 partities te creëren, die elk één of meer toestellen kunnen groeperen, ook gedeeld, en aan elke partitie een gepersonaliseerde naam toe te wijzen (max. 32 tekens).



5.4 Camera’s

Hier kunnen tot 4 camera’s beheerd worden die op het systeem zijn aangesloten en gebruikt worden voor videoverificatie met automatische aanmaak van een videofragment gekoppeld aan een alarm (videoclip van ongeveer 10 seconden waarvan 5 seconden pre-alarm).

Gebruik de knop “+” om een nieuwe camera toe te voegen.

Er is een RTSP-stream vereist met H-264-codec, maximale resolutie FULL-HD. Er wordt native compatibiliteit gegarandeerd met Comelit camera’s en videorecorders van de serie NEXT of ADVANCE.

De vereiste parameters zijn:

  • Model camera: selecteer het juiste model in gebruik (Comelit ADVANCE of NEXT camera, Comelit ADVANCE of NEXT videorecorder, generieke camera)

  • IP-adres: geef het IP-adres op dat wordt gebruikt voor de RTSP-stream (bijv. 192.168.1.2)

  • Poort: geef de poort op die wordt gebruikt voor de RTSP-stream (meestal 554)

  • Gebruiker: geef de loginnaam op die vereist is voor toegang tot de RTSP-stream

  • Wachtwoord: geef het wachtwoord op dat vereist is voor toegang tot de RTSP-stream

  • RTSP-stream: stel de specifieke RTSP-string in die moet worden gebruikt in de volledige syntaxis, met uitzondering van het IP-adres. Als voorbeeld: voor een RTSP-stream beschikbaar op het adres “rtsp://192.168.0.200/sub_stream” vult u in dit veld “sub_stream” in. Voor Comelit camera’s of videorecorders van de serie ADVANCE of NEXT is deze waarde vooraf ingevuld.

  • Kanaal: (alleen als NVR Comelit is geselecteerd) selecteer het gebruikte videokanaal.

  • Bedrijfsmodus: hiermee kan worden bepaald of de camera’s alleen worden gebruikt voor een “live” verificatie zonder opname (videoverificatie UIT) of ook voor het aanmaken van videoclips gekoppeld aan alarmen (videoverificatie AAN). Als videoverificatie wordt geactiveerd, selecteer dan de sensor(en) die de videoclip zullen genereren bij een alarm.



5.5 Algemene parameters

Bevat, naast een reeks algemene opties, ook een samenvattende sectie met de volgende informatie over de centrale, gegroepeerd in het bovenste gedeelte (uit te vouwen door op de knop “>” te drukken):

  • Installatienaam: aanpasbaar via de knop potlood

  • Hoofd-firmwareversie van de centrale

  • Firmwareversie van de radiomodule van de centrale

  • ID32: uniek identificatienummer van de centrale, nuttig voor eventuele technische controles door de fabrikant (indien nodig, druk op de knop potlood om naar het volgende menu te gaan waar de ID32-waarde kan worden gekopieerd en gedeeld)



5.5.1 Tijdinstellingen

Hier kunnen de tijdinstellingen worden bewerkt voor:

  • Vertraging melding stroomuitval 230VAC: handig om frequente meldingen te voorkomen als het ontbreken van voeding vaak en van korte duur is

  • Vertraging melding internetuitval: handig om frequente meldingen te voorkomen als het ontbreken van internetverbinding vaak en van korte duur is

  • Dubbele impulsinterval: gebruikt als tijdsvenster waarin detectoren met de optie “dubbele impuls” alleen een alarm genereren als er minstens twee activeringen worden gedetecteerd binnen het ingestelde tijdsinterval

  • Dubbel alarm-interval: gebruikt als tijdsvenster waarin detectoren met de optie “dubbel alarm” alleen een alarm genereren als de activering van een andere detector uit een andere partitie wordt gedetecteerd binnen het ingestelde tijdsinterval



5.5.2 Internetverbinding

Hiermee kunnen de instellingen voor de internetverbinding worden aangepast via één of meer van de beschikbare communicatiekanalen



5.5.2.1 Ethernetkabel

Hiermee kunnen de instellingen voor de bekabelde netwerkverbinding (IPv4) worden aangepast. Selecteer de juiste configuratiewaarde (DHCP of statisch IP) afhankelijk van het gebruikte netwerk; bij gebruik van een statisch IP moeten ook alle aanvullende gegevens worden ingevuld (subnetmasker, gateway, primaire en secundaire DNS).

De standaardconfiguratie is DHCP.

De optie controleer de verbinding via internet bepaalt of de centrale de controle van de cloudverbinding op dit communicatiekanaal activeert. Als de controle is geactiveerd, zal de centrale periodiek de communicatie met de Cloud controleren en bij een afwijking de betreffende melding activeren en indien geprogrammeerd een specifieke notificatie sturen. Raadpleeg de volgende sectie Verbindingslogica via de verschillende communicatiekanalen voor meer details).

Als het bekabelde netwerk alleen wordt gebruikt voor de verbinding met de camera’s en een ander communicatiekanaal wordt gebruikt voor de internetverbinding (bijv. WiFi of 4G), schakel dan de optie controleer de verbinding via internet uit.



5.5.2.2 WiFi

Hiermee kan de verbinding met het draadloze IEEE 802.11 b/g/n, 2.4GHz netwerk worden geactiveerd en kunnen de juiste parameters (SSID en wachtwoord) worden ingesteld.

Ondersteunde encryptie en authenticatie zijn WPA-PSK (AES), WPA2-PSK (AES), WPA3-PSK (AES), terwijl open 2,4GHz-netwerken (zonder encryptie), met WEP-encryptie, anonieme netwerken (zonder SSID) en alle 5GHz-netwerken niet worden ondersteund.



5.5.2.3 GSM/4G

Hiermee kan de GSM/4G-dataverbinding worden geactiveerd en geconfigureerd via een SIM-kaart (niet meegeleverd).

Ondersteunde connectiviteit: 4G FDD 800/900/1800/2100/2600MHz en GSM 900/1800MHz.

De centrale beschikt bovendien over een functie voor automatische detectie van de kenmerken van de gebruikte SIM en is daardoor in staat om de verbindingsparameters automatisch te configureren volgens een geïntegreerde database die de belangrijkste internationale telefonie-operators omvat.

Indien de operator niet automatisch wordt herkend of indien nodig, kunnen de volgende parameters handmatig worden aangepast:

  • PIN = ontgrendelingscode van de SIM-kaart (indien gebruikt)

  • APN = Naam toegangspunt (specifiek voor de gebruikte operator)

  • Username = bewonersnaam voor de autorisatie van de gebruiker op het mobiele netwerk

  • Password = wachtwoord voor de autorisatie van de gebruiker op het mobiele netwerk

  • Vervaldatum = datum waarop het contract van de SIM-kaart verlengd moet worden (indien vereist). Wanneer de ingestelde datum is bereikt, wordt er een storingsconditie geactiveerd als herinnering voor de gebruiker om de SIM-kaart te vernieuwen. De GSM/4G-connectiviteit blijft actief zolang deze door de operator wordt ondersteund.

  • SIM 4G als hoofdverbinding = raadpleeg de volgende sectie “Logica van verbinding via de verschillende communicatiekanalen” voor meer details.

Logica van verbinding via de verschillende communicatiekanalen

De Ethernet- of 4G-communicatiekanalen worden automatisch geactiveerd door de centrale wanneer respectievelijk een kabel met datacommunicatie wordt gedetecteerd (autodetectie 10BASE-T/100BASE-TX volgens Ethernet IEEE 802.3-standaard) of wanneer een geldige SIM-kaart wordt geplaatst.

Het WiFi-communicatiekanaal kan worden geactiveerd en geprogrammeerd via de App.

De WiFi-communicatie wordt ook gebruikt voor communicatie in Access-Point-modus bij directe configuratie van de centrale zonder andere actieve communicatiekanalen. Raadpleeg de informatie in de handleiding van de centrale NEXUS voor meer details over het activeren en gebruiken van de Access-Point-modus.

Bij het activeren van meerdere communicatiekanalen zijn de gebruiksprioriteiten als volgt:

  • Optie SIM 4G als hoofdverbinding niet actief

    • Primaire kanaal Ethernet/WiFi*
    • Secundair 4G-kanaal
  • Optie SIM 4G als hoofdverbinding

    • Primaire 4G-kanaal
    • Secundair kanaal Ethernet/WiFi*

* Indien de WiFi-verbinding gelijktijdig met een Ethernet-verbinding is geactiveerd, wordt deze alleen gebruikt bij een storing van het bekabelde netwerk. Het is ook mogelijk om een Ethernet- en WiFi-verbinding op hetzelfde datanetwerk te activeren.

OPMERKING

Voor een grotere betrouwbaarheid in de communicatie wordt het gebruik van een Ethernet-verbinding met 4G-backup aanbevolen (SIM 4G als hoofdverbinding niet actief).
Het activeren van de modus SIM 4G als hoofdverbinding leidt tot een hoger 4G-dataverbruik, wat extra kosten kan veroorzaken afhankelijk van het tariefplan van uw operator.

Als een communicatiekanaal niet langer beschikbaar is tijdens normaal gebruik (bijv. Ethernet-kabel losgekoppeld of geen telefoniedekking) en de optie controleer de verbinding via Internet is actief, wordt er een storing gemeld en een specifieke melding verzonden (indien geprogrammeerd).

De verificatietijd voordat een internetverbindingsstoring wordt gemeld, is aanpasbaar (zie parameter Tijdinstellingen – Vertraging waarschuwing internetverbinding ontbreekt).

Om de normale functionaliteit te herstellen en de storingsconditie te verwijderen, dient u het communicatiekanaal te herstellen.

Als het communicatiekanaal niet langer in gebruik is, schakel het dan uit op de volgende manier:

  • WiFi = schakel de WiFi-optie uit

  • Ethernet = nadat u de centrale in de onderhoudsmodus hebt gezet (zie “Onderhoudsmodus”), opent u het onderste klepje en verwijdert u de Ethernet-kabel. Start de centrale opnieuw op (zie “Herstart het systeem”).

  • 4G = nadat u de centrale in de onderhoudsmodus hebt gezet (zie “Onderhoudsmodus”), opent u het onderste klepje en verwijdert u de SIM-kaart. Start vervolgens de centrale opnieuw op (“Herstart het systeem”).



5.5.3 Datum & tijd

Hiermee kunt u de gewenste tijdzone selecteren en de zomertijd/wintertijd in- of uitschakelen. De centrale kan de meest geschikte parameters selecteren op basis van de internetverbinding



5.5.4 Geavanceerde opties

Bevat een reeks meer technische parameters die hieronder worden toegelicht:



5.5.4.1 Taal

Hiermee kunt u een specifieke taal voor de centrale selecteren die wordt gebruikt voor meldingen aan gebruikers (SMS- en PUSH-berichten, evenals eventuele vooraf opgenomen spraakberichten voor telefoongesprekken), en voor gebeurtenissen die in het speciale logboek worden opgeslagen.

Het selecteren van een andere taal dan Engels vereist het downloaden van het betreffende datapakket uit de Cloud. Deze handeling kan enkele minuten duren, afhankelijk van de snelheid van de internetverbinding.

De taal van de App kan niet worden gewijzigd, maar wordt automatisch geselecteerd op basis van de taal van het toestel waarop de App is geïnstalleerd. Als het toestel een taal gebruikt die niet door de App wordt ondersteund, wordt de Engelse weergave gebruikt.


5.5.4.2 Melding centrale offline (optie alleen beschikbaar voor beheerder)

Indien geactiveerd, wordt er een PUSH-melding naar de beheerder gestuurd als de Cloud een onderbreking van de centrale met het internet detecteert die langer dan 5 minuten duurt. Op dezelfde manier wordt het herstel van de verbinding gemeld met een specifieke reconnect-melding.


5.5.4.3 Onderhoudsmodus

Indien geactiveerd, onderdrukt deze alle alarm- en sabotage-meldingen. Hierdoor kan men aan het systeem werken voor programmering of toegang krijgen tot het achtercompartiment van de centrale (aansluitingen) zonder valse alarmen te veroorzaken.

De onderhoudsmodus kan niet worden geactiveerd wanneer het alarm is ingeschakeld en wordt automatisch gedeactiveerd bij een volgende inschakeling van het alarm. Indien geactiveerd, zal de app op elk scherm een duidelijke waarschuwingsbanner tonen.

Zorg er dus voor dat de installatie zich niet in een toestand van sabotage bevindt vóór de handmatige of automatische (inschakeling) deactivering van de onderhoudsmodus.



5.5.4.4 FW-update

Hiermee kunt u de huidige firmwareversie (centrale en interne radiozender) controleren en automatische updates via de Cloud inschakelen of uitschakelen.

Automatische updates worden op een willekeurig tijdstip uitgevoerd, alleen wanneer de installatie is uitgeschakeld.

Bij het inschakelen van automatische updates wordt gecontroleerd of er nieuwe versies beschikbaar zijn en indien van toepassing wordt het downloaden en installeren voorgesteld.

Het installeren van updates duurt enkele minuten, waarin de volledige functionaliteit van de centrale niet gegarandeerd is.



5.5.4.5 Standaardconfiguratie

Hiermee kunt u alle parameters terugzetten naar de fabrieksinstellingen.

Na het voltooien van het herstel, wat enkele minuten kan duren, moet de programmering van de parameters van de centrale opnieuw worden uitgevoerd.

Voor het toevoegen van radio toestellen, indien deze eerder al aan de centrale zijn gekoppeld, is het noodzakelijk deze eerst te resetten. Raadpleeg de sectie Toestellen voor meer details)

De standaard fabrieksconfiguratie biedt twee opties:

  • EN-50131-conformiteit: gebruikt standaardwaarden die voldoen aan de EN-50131 graad 2 norm. Specifiek zullen de volgende functionele wijzigingen worden doorgevoerd:

    • Gebeurtenissenlogboek

      • Standaardconfiguratie: geen registratie van login, logout of lopende specifieke gebeurtenissen.

      • EN-50131-configuratie: activeert de registratie van alle login-, logout- en lopende gebeurtenissen.

    • Inschakeling

      • Standaardconfiguratie: bij inschakeling wordt de sensor automatisch opnieuw geactiveerd na herstel van een storing, sabotage of open toestand.

      • EN-50131-configuratie: blokkeert de inschakeling als er een open, storing- of sabotageconditie wordt gedetecteerd.

    • Isolatiefunctie

      • Standaardconfiguratie: het is mogelijk een toestel in elke toestand te isoleren.

      • EN50131-configuratie: isolatie van een toestel is alleen mogelijk bij een sabotage- of alarmconditie.

    • Alarm bij mislukte inschakeling

      • Standaardconfiguratie: functie uitgeschakeld

      • EN50131-configuratie: functie geactiveerd met alarmgeneratie bij niet-inschakeling na afloop van de uittijd.

    • Sirenetijdslimiet

      • Standaardconfiguratie: minimale sirenetijdslimiet van 1 minuut.

      • EN50131-configuratie: minimale sirenetijdslimiet van 3 minuten.

    • Snelle inschakeling

      • Standaardconfiguratie: snelle inschakeling mogelijk.

      • EN50131-configuratie: snelle inschakeling niet mogelijk.

    • Andere systeemgedragingen. Voor aspecten zoals het back-upkanaal, werking op netstroom/batterij, netstoringen, alarmen, sabotage-detectie, meldingen, enz., voldoet de standaardconfiguratie volledig aan de EN50131-eisen.

  • Behoud koppeling radio toestellen: hiermee blijft de koppeling met radio toestellen die al aan de centrale zijn gekoppeld behouden.


5.5.4.6 Herstart centrale

Hiermee kan, na bevestiging, het systeem volledig worden herstart. Let op: de herstartprocedure kan tot 30 seconden inactiviteit van het systeem veroorzaken.


5.5.5 Sabotagealarm

Hiermee kunt u de schakelaar inschakelen of uitschakelen om het openen van de achterste muurplaat van de centrale of het verwijderen van de centrale van de muur te detecteren bij montage met de speciale anti-afscheurbeveiliging.



5.6 Externe bewaking

Hiermee kunt u tot 2 externe bewakingsbedrijven (ARC) of 4 algemene ontvangers toevoegen om meldingen van specifieke gebeurtenissen te ontvangen.

Selecteer het gewenste type ontvanger: externe bewakingsbedrijven of algemene ontvanger



5.6.1 Bewakingsbedrijf

De communicatie met bewakingsbedrijven gebeurt via het SIA- of ContactID-protocol, beide in digitaal IP-formaat (DC-09). AES-128-encryptie wordt ondersteund, waardoor berichten die naar de ARC worden verzonden, worden versleuteld met een geheime sleutel die door de gebruiker is ingesteld en moet overeenkomen met de configuratie van het ontvangcentrum.

Selecteer het bewakingsbedrijf dat u wilt bewerken of gebruik de knop “+” om een nieuw bedrijf aan te maken.

Met de knop potlood kunt u de ingestelde naam bewerken. Gebruik de knop prullenbak om een eerder aangemaakt bewakingsbedrijf te verwijderen.

Selecteer Configuratie om de specifieke verbindingsparameters in te stellen die door het instituut zelf worden verstrekt: IP-adres – poort – prefix van het account – nummer van het account – nummer van de ontvanger – activering/deactivering timestamp – encryptiesleutel (optioneel).

Selecteer Notificaties en protocollen om de notificatiegroep te definiëren die moet worden verzonden en de bijbehorende modus (ContactID of SIA). Raadpleeg de sectie Notificaties voor meer details.



5.6.2 Algemene ontvanger

Communicatie naar algemene ontvangers kan worden gebruikt wanneer men een gebeurtenis wil melden aan een algemene gebruiker die niet voorkomt in de gebruikerslijst van de centrale en/of de NEXUS-app niet gebruikt. Het is mogelijk om een notificatie te sturen via e-mail en, indien er een SIM-kaart is geïnstalleerd die de betreffende dienst ondersteunt, ook via een spraakoproep of SMS.

Selecteer de algemene ontvanger die u wilt bewerken of gebruik de knop “+” om een nieuwe aan te maken.

Met de knop potlood kunt u de ingestelde naam bewerken. Gebruik de knop prullenbak om een eerder aangemaakte algemene ontvanger te verwijderen.

Selecteer Notificaties om de notificatiegroep te definiëren die moet worden verzonden en de bijbehorende modus (spraakoproep, SMS of e-mail). Raadpleeg de sectie Notificaties voor meer details.



5.7 Test



5.7.1 Test periodieke communicatie

Hiermee kunt u de test van periodieke bel naar een ontvanger (gebruiker, installateur of bewakingsinstituut) activeren. In het geval van bewakingsinstituten zal de oproep plaatsvinden volgens de ingestelde modus in de notificatieconfiguratie van de groep Acties / Systeemwerking en zal dit resulteren in het verzenden van een specifieke melding van periodieke test. In het geval van gebruikers, installateurs of algemene ontvangers van remote bewaking, wordt de notificatie verzonden volgens de ingestelde modus voor notificaties van de groep Acties / Systeemwerking (zie Notificaties).

Indien geactiveerd, is programmering van de volgende parameters vereist:

  • Interval: tijdsduur tussen een testoproep en de volgende

  • Startdatum: huidige of toekomstige datum waarop de periodieke test start

  • Starttijd: specifiek tijdstip waarop de periodieke test start (bijvoorbeeld dagelijks herhaald als het interval “24u” is)

  • Ontvanger: de ontvanger van de periodieke testoproep.



5.7.2 Test enkele communicatie

Hiermee kunt u handmatig een enkele oproep/directe notificatie uitvoeren naar een specifieke ontvanger (gebruiker, installateur of bewakingsinstituut). De oproep/notificatie wordt verzonden volgens de ingestelde modus voor notificaties van de groep “Acties” / “Systeemwerking” (zie Notificaties).



5.7.3 Test sensoren

Hiermee kunt u een eenvoudige walk-test uitvoeren om de werking van alle sensoren te controleren.

Het scherm toont de lijst van alle sensoren met de aanduiding of er een activatie is gedetecteerd tijdens de testcyclus. Beweeg door de ruimte om elke sensor te activeren en controleer of aan het einde van de test alle sensoren de juiste melding van detectie weergeven.

Druk op STOP om de test op elk moment te onderbreken. Druk op TEST UITVOEREN als u de test opnieuw wilt uitvoeren.



5.7.4 Test sirenes en uitgangen

Hiermee kunt u handmatig de sirenes en uitgangen van de RFOUT022-module (indien geïnstalleerd) activeren voor een eenvoudige functionele controle.



5.7.5 Test batterijstatus

Hiermee kunt u in één handeling snel de laadstatus van de batterij van de centrale en van alle draadloze toestellen controleren. Het scherm toont de lijst van alle toestellen met de aanduiding van de batterijstatus. Eventuele toestellen met een lege batterijstatus worden aan het begin van de lijst gemarkeerd.